ECLI:NL:GHAMS:2019:3659

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 september 2019
Publicatiedatum
11 oktober 2019
Zaaknummer
23-003653-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis en verwerping alternatief scenario in hoger beroep diefstal bankpas

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van een van de ten laste gelegde feiten, maar veroordeeld voor andere feiten met betrekking tot diefstal en gebruik van een bankpas. In hoger beroep stelde de verdediging een alternatief scenario voor, waarbij een andere persoon de bankpas zou hebben gestolen en de verdachte deze van hem zou hebben gekregen. Tevens werd het signalement van de dader aangevochten.

Het hof oordeelde dat dit alternatieve scenario niet aannemelijk is. De verklaring van de aangeefster over het signalement van de dader in haar woning komt overeen met de verdachte die op camerabeelden is vastgelegd bij het gebruik van de bankpas. Het korte tijdsverloop tussen de diefstal en het eerste gebruik van de pas ondersteunt eveneens het oordeel van het hof.

Daarnaast verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van een van de feiten, omdat hoger beroep tegen een vrijspraak niet openstaat volgens artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam voor zover het aan zijn oordeel was onderworpen en wees het verweer van de verdediging af. Tevens werd een aanvulling op de strafmotivering van de rechtbank aangebracht met betrekking tot eerdere veroordelingen van de verdachte.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 20 september 2019.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak; het verweer wordt verworpen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-003653-18
Datum uitspraak: 20 september 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-741121-18 en 13-665224-17 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1987,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Middelburg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
6 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

Beoordeling

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit bevestigen, met dien verstande dat het hof naar aanleiding van een nieuw standpunt van de verdediging in hoger beroep, als volgt overweegt.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte nu erkent dat hij met de bankpas en de pincode van de aangeefster een aantal keren geld van haar bankrekening heeft afgehaald (feit 2), maar dat hij nog steeds ontkent dat hij degene was die in de woning van aangeefster haar pincode heeft ontfutseld en haar bankpas heeft gestolen.
De raadsman heeft daarom vrijspraak bepleit van feit 1 en 3. Volgens hem is er een alternatief scenario, inhoudende dat iemand anders in de woning van de aangeefster is geweest en van wie de verdachte de pinpas heeft gekregen. Dit wordt volgens de raadsman ondersteund doordat aangeefster bij de politie heeft verklaard dat ze twee mannen op de eerste etage van de flat zag toen ze beneden bij de lift stond en één van hen naar haar toe kwam, alsmede door de omstandigheid dat aangeefster over de man in haar woning heeft verklaard dat het een man is ‘van ongeveer 1.90 meter met een slank postuur’, terwijl de verdachte – volgens de raadsman – gezet en 1,78 meter lang is.
Het hof acht dit scenario niet aannemelijk geworden. Nog daargelaten dat het niet wordt ondersteund door een verklaring van de verdachte zelf, vindt het zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Daaruit volgt
het zeer korte tijdsverloop tussen de diefstal van de bankpas uit de woning van de aangeefster omstreeks 18.00 uur en het eerste gebruik van de bankpas om 18.03 uur. Daarnaast komt het belangrijkste deel van het signalement dat de aangeefster van de dader in haar woning heeft gegeven, (kaal, getint uiterlijk, blauw shirt met korte mouwen en blauwe lange joggingbroek) overeen met het uiterlijk en de kleding van de man die met de pas heeft gepind zoals blijkt uit de
stillsvan de camerabeelden. Die ‘pinner’ is de verdachte, zoals kan worden afgeleid uit de processen-verbaal van herkenning en uit de foto’s van de verdachte (en diens kleding) na aanhouding. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Het hof vervangt de zin “Uit de justitiële documentatie […] proeftijd loopt.” in regel 10 tot en met 12 van de strafmotivering onder paragraaf 9.3 van het vonnis door de zin:
“Uit de justitiële documentatie van de verdachte van 19 augustus 2019 blijkt verder dat hij eerder ter zake van veel vermogensdelicten is veroordeeld en van twee van die veroordelingen ten tijde van het plegen van de onderhavige strafbare feiten in een proeftijd liep”.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. R.P. den Otter en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 september 2019.
Mr. A. Scheffens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.