ECLI:NL:GHAMS:2019:3140

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 augustus 2019
Publicatiedatum
28 augustus 2019
Zaaknummer
23-002960-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 SvArt. 27 SrArt. 27a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep veroordeelt verdachte tot drie maanden gevangenisstraf voor medeplegen zakkenrollerij op Centraal Station Amsterdam

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van zakkenrollerij op het Centraal Station te Amsterdam.

Tijdens de zitting op 24 juli 2019 werd vastgesteld dat verdachte samen met een vrouwelijke medeverdachte op het Damrak en bij het Centraal Station verdachte gedragingen vertoonde die kenmerkend zijn voor zakkenrollers. Observaties en camerabeelden toonden aan dat zij een Aziatische man nauwgezet volgden en de hand van verdachte richting de schoudertas van het slachtoffer bewoog. Daarnaast bleek verdachte in het bezit van het geldbedrag in Amerikaanse dollars dat van het slachtoffer was gestolen.

De politierechter veroordeelde verdachte tot tien weken gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Het hof bevestigde de bewezenverklaring, maar achtte een hogere straf passend vanwege de ernst van de feiten, de eerdere veroordeling van verdachte in Nederland en eerdere aanhoudingen in het buitenland. Het hof legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, met aftrek van het voorarrest.

Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 7 augustus 2019.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor medeplegen van zakkenrollerij.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002960-18
datum uitspraak: 7 augustus 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-702190-18 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1994,
geen vaste woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging als volgt aanvult.

Bewijsoverweging

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], bewijsmiddel 2 in het vonnis van de politierechter, volgt dat de verdachte en de vrouwelijke medeverdachte, voordat zij bij het Centraal Station aankwamen, bij het Victoria Hotel op het Damrak zijn geobserveerd. Daar gingen de verdachte en de medeverdachte op een armlengte afstand achter een Aziatische man staan die samen met een Aziatische vrouw een kaart bestudeerde. De Aziatische man had een schoudertas met ritssluiting om zijn middel. De verdachte ging op armlengte afstand van deze man staan en keek samen met de medeverdachte naar de schoudertas en vervolgens om zich heen. De verbalisant merkte dit gedrag aan als kenmerkend voor zakkenrollers.
De verdachte en de medeverdachte begeven zich vervolgens naar het Centraal Station. Daar sluiten zij aan in een rij bij de kaartjesautomaten en blijven zij continu om zich heen en richting koffers kijken. Uiteindelijk staan de verdachte en de medeverdachte achter de Aziatische aangever, die koffers en een schoudertas bij zich heeft. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat zakkenrollers veelal Aziaten rollen omdat het bekend is dat zij vaak grote sommen contant geld bij zich hebben. De verbalisant ziet dat de verdachte en zijn medeverdachte elkaars hand vasthouden en schouder aan schouder tegen elkaar staan, op minder dan een armlengte afstand van de aangever. De verdachte kijkt meerdere keren over zijn schouder en beweegt vervolgens zijn rechterhand naar de schoudertas van de aangever. De aangever stopt tegelijkertijd met lopen. De verdachte en de medeverdachte nemen direct afstand van de aangever door enkele stappen naar rechts te zetten. De aangever loopt vervolgens naar het NS Ticket en Service centrum. De verdachte en de medeverdachte doen dit eveneens.
Wat volgde staat beschreven in bewijsmiddel 3, het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] over de camerabeelden die zijn gevorderd bij het NS Ticket en Service centrum. Daarop is te zien dat de verdachte en de medeverdachte in het NS Ticket en Service centrum op minder dan een armlengte afstand achter de Aziatische man aanlopen. De verdachte en de medeverdachte lopen schouder aan schouder. De verdachte kijkt in de richting van de schoudertas en beweegt zijn arm vervolgens in de richting van de Aziatische man. Voorts is te zien dat de verdachte zijn arm ter hoogte van de schoudertas van de man houdt. De medeverdachte kijkt constant om zich heen.
Het hof constateert dat de verdachte samen met de medeverdachte al zakkenrollersgedrag had vertoond voordat ze op het Centraal Station van Amsterdam aankwamen. Daar is de verdachte de aangever op zeer korte afstand blijven volgen, waarbij te zien is dat zijn hand richting de tas van de aangever is gegaan. Die gang van zaken, in combinatie met de omstandigheid dat de verdachte vervolgens over een geldbedrag in Amerikaanse dollars bleek te beschikken in exact de coupures die bij de aangever ontvreemd waren, leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte samen met de medeverdachte de diefstal heeft gepleegd.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door
de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft, indien de verdachte niet wordt vrijgesproken, verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft, samen met iemand anders, op het Centraal Station van Amsterdam geld van een toerist gestolen. Zakkenrollerij veroorzaakt veel overlast en draagt bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid. De verdachte heeft met zijn handelwijze blijk gegeven dat hij geen respect heeft voor het eigendomsrecht van een ander.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 juli 2019 is hij in Nederland eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld wegens diefstal. Uit het dossier komt tevens naar voren dat de verdachte (met dezelfde medeverdachte) meerdere malen is aangehouden in Spanje en in Duitsland op grond van zakkenrollerij. In strafverzwarende zin wordt slechts de eerdere veroordeling in Nederland meegewogen. Bovendien wordt medeplegen bewezen verklaard, hetgeen ook strafverzwarend werkt. Gezien de straffen die doorgaans voor zakkenrollerij worden opgelegd, komt een andere dan een vrijheidsstraf niet in aanmerking, evenmin als een straf gelijk aan het voorarrest.
Het hof acht, alles afwegende, een hogere straf dan door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden, en zal de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opleggen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. P.F.E. Geerlings en mr. M.R. Cox, in tegenwoordigheid van C.N. Aalders, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 augustus 2019.
Mr. M.R. Cox is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]