Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vrouw tezamen met de kinderen in 2001 naar Ierland is verhuisd. Haar gewone verblijfplaats ten tijde van de indiening van het verzoekschrift op 7 juni 2017 was ook (nog) Ierland.
De man heeft aangevoerd dat hij in 2001 met het gezin naar Ierland is verhuisd en ook het hof gaat daarvan uit, in die zin dat ook de gewone verblijfplaats van de man destijds is verplaatst naar Ierland. Daartoe is onder meer redengevend dat de man en de vrouw destijds de echtelijke woning in [plaats B] hebben verkocht, waarbij zij de verkoopopbrengst hebben aangewend voor de aankoop van de huidige woning in Ierland, de woning in Ierland door partijen in mede-eigendom is verkregen, en dat de inboedel destijds vanuit de woning in [plaats B] naar Ierland is overgebracht. Partijen hebben destijds een afscheidsfeest gehouden in [hotel] in [plaats C] waarover verklaringen voorliggen door de man overgelegd als productie 15b en 15c eerste aanleg.
De man heeft sindsdien en tot 2005 (het moment van aanschaf van het appartement [adres] te [plaats D] (hierna: het appartement [adres] )) tijdens zijn tijdelijk verblijf in Nederland in verschillende woningen verbleven. Het appartement [adres] kan, gelet op de door de man overgelegde foto’s, gezien de welstand van partijen en gezien de waarde van de woning in Ierland en het gegeven dat een deel van het appartement [adres] aan derden wordt verhuurd, niet anders worden gezien dan een pied-à-terre in [plaats D] ten behoeve van de man.
In eerste aanleg is al tussen partijen vastgesteld dat partijen en hun drie kinderen zich in 2001 in Nederland hebben uitgeschreven en zich in Ierland hebben ingeschreven. In hoger beroep heeft de man nog een bewijs bijgebracht van het aanvragen en verkrijgen van een Iers Personal Public Service Number, enigszins vergelijkbaar met een Nederlands BSN (burger servicenummer), per 11 april 2002, terwijl niet ter discussie staat de vaststelling van de rechtbank dat de man door alle overheidsinstanties, zowel in Nederland als in Ierland, op het adres in Ierland wordt aangeschreven en dat de man – in ieder geval tot 2017 - in Ierland belastingplichtig is.
Ter zitting in hoger beroep is voorts nog besproken dat ook de man zich in Ierland heeft geregistreerd voor het (passief) kiesrecht, waarbij de man onbetwist heeft verklaard dat hij al iets van tien tot twaalf jaren van het lokale kiesrecht gebruik kan maken en daar ook gebruik van heeft gemaakt.
Voorts is van belang dat de man in Ierland hockeycoach is geweest ten behoeve van de door zijn dochter beoefende hockeysport. De vrouw heeft deze verklaring ter zitting bevestigd en aangegeven dat de man tot [kind 2] dertien à veertien jaar oud was als zondagse activiteit hockeycoach was. Gelet op de toelichting van de man ter zitting heeft de man aldus jarenlang op regelmatige basis op de zondagen zich bij de lokale hockeyclub bezig gehouden met hockeytrainingen en het organiseren van wedstrijden. Ook liggen gegevens voor omtrent andere sociale activiteiten van de man, zoals zijn voorzitterschap van de […] Association en het regelmatig gebruik van de voorzieningen van de fitnessclub van [L] in [woonplaats] , zoals uiteengezet en onderbouwd in productie 10 bij verweerschrift in hoger beroep.
Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden volgt het hof de vrouw ook niet in haar stelling dat de man niet de intentie heeft gehad het centrum van zijn belangen te vestigen in Ierland; in dit verband is van belang dat sprake is van een bestendige situatie, gelet op de lange duur van hiervoor beschreven activiteiten. Het gegeven dat de man in verband met zijn ondernemingsactiviteiten vaak in Nederland heeft verbleven en dat deze ondernemingen in Nederland hun (statutaire) vestigingsplaats hebben, doet niet af aan het voorgaande. In dit verband heeft de man ook gewezen op zijn reguliere reisschema, waarbij de man op dinsdagmorgen vanuit Ierland naar Nederland reisde, en op donderdagavond terugvloog naar Ierland. De man heeft ter onderbouwing van dat standpunt in eerste aanleg als productie 23 en in hoger beroep als productie 16 een groot aantal (uitdraaien van elektronische) reserveringen van vluchten vanuit [woonplaats] naar [plaats D] en vice versa overgelegd. De enkele, niet nader onderbouwde, betwisting van de vrouw, onder meer inhoudende dat niet vaststaat dat de man ook werkelijk gebruik heeft gemaakt van de boekingen, is onvoldoende om anderszins aan te nemen. Het hof merkt nog op dat het gegeven dat partijen het appartement [adres] hebben aangehouden, en dat de man een tandarts en huisarts, apotheek, fysio- en manueel therapeut in Nederland heeft aangehouden, in het licht van het vorenstaande niet voldoende gewicht in de schaal legt om het standpunt van de vrouw te ondersteunen. Juist vanwege het reguliere reisschema van de man, kan de man deze voorzieningen als passend hebben ervaren, zonder dat daarmee het centrum van zijn belangen in Nederland is komen te liggen.