Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn gehuwd sinds 1992 en zijn in oktober 2016 uit elkaar gegaan. De echtscheiding werd uitgesproken bij beschikking van 18 juli 2018, ingeschreven op 9 november 2018. De man verzocht in hoger beroep om een voorlopige voorziening partneralimentatie, omdat hij door een ernstig ongeluk en beperkte verdiencapaciteit niet in zijn levensonderhoud kan voorzien.
De man woont bij zijn moeder en werkt ongeveer acht uur per week. Hij heeft een behoefte aan circa € 2.276,- netto per maand, gebaseerd op een behoeftelijst die onder meer huur, verzekeringen en levensonderhoud omvat. De vrouw betwist de behoefte en stelt dat de man in staat is meer te verdienen en dat zij zelf onvoldoende draagkracht heeft vanwege de kosten van de drie kinderen, waarvan twee meerderjarig zijn en nog studeren.
Het hof overweegt dat de man voldoende heeft aangetoond niet in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en dat zijn verdiencapaciteit beperkt is. Echter, de vrouw draagt reeds circa € 3.000,- netto per maand bij aan de kosten van de meerderjarige kinderen. Gelet hierop en de draagkracht van de vrouw, wijst het hof het verzoek van de man af. De beschikking is uitgesproken op 29 januari 2019 door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man om voorlopige partneralimentatie toe te kennen af.