Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2009 gehuwd en hun huwelijk is op 30 juli 2018 ontbonden. De man kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam inzake partneralimentatie. Het geschil betrof de hoogte van de alimentatie, de draagkracht van de man, de behoefte van de vrouw en de vraag of de alimentatie beperkt of nihil gesteld kon worden vanaf 2023.
Het hof bevestigde de ontvankelijkheid van het hoger beroep en oordeelde dat de behoefte van de vrouw mede gebaseerd moet zijn op de welstand tijdens het huwelijk, maar matigde het bedrag aan boodschappen conform Nibud-richtlijnen. De draagkracht van de man werd vastgesteld op een bruto jaarinkomen van €225.000, inclusief garantiecommissie. De vrouw kon niet volledig in haar behoefte voorzien, maar haar verdiencapaciteit werd meegenomen in de berekening.
Het hof stelde de partneralimentatie vast op €3.171,- bruto per maand vanaf 30 juli 2018, met afbouw naar €2.947,- per maand vanaf mei 2019 en €2.463,- per maand vanaf mei 2020. Tevens werd bepaald dat de vrouw een derde deel van de teveel betaalde alimentatie moet terugbetalen. Een verzoek tot limitering of nihilstelling van de alimentatie per 1 augustus 2023 werd afgewezen wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden.
De beschikking werd vernietigd voor zover het hof een ander oordeel gaf en in die zin opnieuw vastgesteld. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof stelde de partneralimentatie vast op lagere bedragen dan de rechtbank en legde een terugbetalingsverplichting van een derde deel van teveel betaalde alimentatie op aan de vrouw.