ECLI:NL:GHAMS:2019:2862
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kinder- en partneralimentatie na echtscheiding
Partijen zijn in 2007 gehuwd en hun huwelijk is op 1 juni 2018 ontbonden. Zij zijn ouders van twee minderjarige kinderen die bij de vrouw verblijven. In eerste aanleg bepaalde de rechtbank een bijdrage van de man in de kosten van de kinderen van €149 per kind per maand en wees het verzoek van de vrouw om partneralimentatie af.
De vrouw kwam in hoger beroep met een verzoek tot verhoging van de kinderbijdrage naar €200,50 per kind per maand en een partneralimentatie van €322 per maand. De man voerde incidenteel hoger beroep en verzocht de kinderbijdrage te verlagen naar €25 per kind per maand. Het hof heeft de draagkracht van de man beoordeeld aan de hand van zijn winst uit onderneming, rekening houdend met een whiplash na een auto-ongeluk die zijn arbeidsvermogen beperkt.
Het hof stelde de draagkracht van de man vast op €155 per maand voor kinderalimentatie en hield rekening met een zorgkorting van 5% vanwege beperkte zorgregeling. De bijdrage werd daarom vastgesteld op €77,50 per kind per maand. Voor partneralimentatie werd de draagkracht berekend op €168 per maand. Het hof wees het verzoek van de man om beperking van de duur van alimentatie af wegens onvoldoende onderbouwing.
De bestreden beschikking werd vernietigd en het hof bepaalde de alimentatiebedragen met ingang van 1 juni 2018. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 juni 2018 €77,50 per kind per maand betalen voor de kinderen en €168 per maand aan partneralimentatie.