ECLI:NL:GHAMS:2019:2706
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling partneralimentatie bij bijstandsuitkering en draagkracht man
Partijen zijn in 2015 uit elkaar gegaan en hun huwelijk is in februari 2018 ontbonden. Zij zijn ouders van een meerderjarige zoon die bij de man woont en een beroepsopleiding volgt. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering en vordert partneralimentatie van de man.
De vrouw vraagt een bruto alimentatie van €986,52 per maand, gelijk aan de bijstandsuitkering die zij ontvangt. De man betwist haar behoefte en stelt dat zij zelf in haar levensonderhoud kan voorzien. Het hof stelt vast dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat haar behoefte ten minste gelijk is aan de bijstandsuitkering, mede omdat het een leenbijstandsuitkering betreft die terugbetaald moet worden.
De man heeft een eenmanszaak en heeft zijn inkomsten en lasten inzichtelijk gemaakt via jaarcijfers 2017. Het hof verwerpt de nieuwe grief van de vrouw over goodwill vanwege strijd met de goede procesorde. Na aftrek van lasten en rekening houdend met heffingskortingen en kosten voor de zoon, concludeert het hof dat de man geen draagkracht heeft voor partneralimentatie.
Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 november 2017, waarin het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot partneralimentatie af wegens gebrek aan draagkracht van de man.