In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is vastgesteld dat verdachte op 4 april 2015 betrokken was bij een verkeersongeval in Heerhugowaard waarbij hij als bestuurder van een motor de plaats van het ongeval heeft verlaten. Uit verklaringen van het slachtoffer en getuigen blijkt dat de motor van verdachte de auto van het slachtoffer heeft geraakt, waardoor verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat schade was toegebracht.
De verdediging stelde dat verdachte zich niet bewust was van de aanrijding en daardoor niet kon vermoeden dat schade was toegebracht. Het hof verwierp dit verweer op basis van de bewijsmiddelen. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat er schade was toegebracht.
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde werd bevestigd als overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Gezien de omstandigheden, de tijdsverloop sinds het incident en het ontbreken van eerdere veroordelingen, matigde het hof de straf tot een geldboete van €150,- of drie dagen hechtenis.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en sprak verdachte vrij van andere tenlasteleggingen. Tevens werd een eerder opgelegde strafbeschikking vernietigd.