Uitspraak
2.De feiten
3.De omvang van het geschil in het incident
5.De beslissing
mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier en is op 15 januari 2019 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn gehuwd sinds 1988 en hebben een minderjarige gezamenlijk in gezag. Na echtscheiding is de man door de rechtbank verplicht tot betaling van partneralimentatie aan de vrouw, vastgesteld op €1.054 per maand. De vrouw verzocht om deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat zij vanwege medische klachten niet in haar levensonderhoud kan voorzien en de man geen alimentatie betaalt.
De man betwistte het verzoek en stelde dat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd en dat hij slechts beperkte draagkracht heeft. Het hof overwoog dat het belang van de vrouw bij uitvoerbaarverklaring evident is, mede vanwege haar invaliderende knieklachten die haar belemmeren te werken. De man heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd en de kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing.
Het hof besloot daarom de beschikking van 7 maart 2018 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor de duur van het hoger beroep, zodat de vrouw niet hoeft te wachten op onherroepelijkheid om alimentatie te ontvangen.
Uitkomst: De beschikking tot betaling van partneralimentatie van €1.054 per maand wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor de duur van het hoger beroep.