Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde 1] en
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak tussen appellant en geïntimeerden heeft het Gerechtshof Amsterdam op 30 januari 2018 een eindarrest uitgesproken. Na dit arrest stelde de advocaat van geïntimeerden dat het arrest een kennelijke fout bevatte doordat een eerder aangekondigde beslissing ontbrak in het dictum. Deze beslissing betrof de vaststelling van een bedrag van €300.000 dat appellant aan geïntimeerden moet betalen indien later blijkt dat de wil tot persoonlijke duurzame ingebruikneming van het gehuurde niet aanwezig was.
Het hof bevestigde dat deze vaststelling in het tussenarrest van 29 augustus 2017 was aangekondigd en dat het bedrag passend is, mede gelet op het feit dat geïntimeerden dit bedrag in 2003 aan de BV hadden betaald voor goodwill en inventaris van het restaurant. Appellant had hiertegen geen bezwaar gemaakt.
Het hof besloot daarom het arrest van 30 januari 2018 te verbeteren door de ontbrekende passage toe te voegen, waarin wordt bepaald dat appellant €300.000 aan geïntimeerden moet betalen indien de wil tot duurzame ingebruikneming ontbrak. Deze verbetering werd op de minuut van het arrest gesteld en het arrest is op 13 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het arrest werd verbeterd met een bepaling dat appellant €300.000 aan geïntimeerden moet betalen indien de wil tot duurzame ingebruikneming ontbrak.