Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
grief I tot en met grief IVfalen en dat
grief Vbuiten bespreking kan blijven.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak gaat het om een executiegeschil over een vonnis tot ontruiming van een winkel- en opslagruimte. Appellant stelde dat hij huurder was van de opslagruimte en verzocht om schorsing van de executie van het vonnis van 19 april 2017. De voorzieningenrechter wees dit verzoek af, omdat geen sprake was van een juridische of feitelijke misslag en geen noodtoestand aan de zijde van appellant.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het vonnis op een juridische misslag berustte, omdat hij wel huurder zou zijn. Het hof oordeelde echter dat appellant niet ontvankelijk was verklaard in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter die stelde dat hij geen huurder was, en dat deze beslissing onherroepelijk was. Daarmee faalde het hoger beroep.
Het hof bekrachtigde het vonnis waarvan beroep en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep. De zaak betrof een huurovereenkomst die oorspronkelijk in 1985 was gesloten, maar waarbij appellant geen huurder was van de opslagruimte. De ontruiming werd dan ook terecht bevolen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellant geen huurder is en wijst zijn hoger beroep af met veroordeling in proceskosten.