Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2018:5126

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 juni 2018
Publicatiedatum
19 april 2019
Zaaknummer
23-003779-17
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling na verkeersruzie met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling van een vrouw na een woordenwisseling over het niet verlenen van voorrang in het verkeer. Hij sloeg en schopte het slachtoffer, waardoor deze lichamelijk letsel opliep. Het hof bevestigde de bewezenverklaring maar vernietigde de strafoplegging van de politierechter.

In hoger beroep werd de straf aangepast naar een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar. Het hof achtte de mishandeling ernstig vanwege het geweld op de openbare weg en de impact op het slachtoffer en omstanders. Een geldboete werd afgewezen vanwege de beperkte draagkracht van de verdachte.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen: € 371,34 materiële en € 250 immateriële schade. De stelling van medeschuld door de benadeelde partij werd verworpen omdat het geweld van de verdachte niet gerechtvaardigd was, ook niet als het slachtoffer de eerste kras had toegebracht.

Het hof legde geen bijzondere voorwaarden op omdat de reclassering dit niet adviseerde. De verdachte had eerder een enkel geweldsfeit begaan, maar dit was relatief oud. De taakstraf werd gemotiveerd als passend en de voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur vanwege het korte lontje van de verdachte.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 15 juni 2018.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003779-17
datum uitspraak: 15 juni 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702315-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof het verweer van de raadsman gevoerd in hoger beroep ten aanzien van de benadeelde partij zal bespreken en de op te leggen straf zal motiveren.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest en met oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een vrouw met wie hij een woordenwisseling kreeg over het niet verlenen van voorrang in het verkeer. De verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen geslagen en geschopt. De verdachte heeft hierdoor een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en letsel toegebracht. Het feit dat de mishandeling heeft plaatsgevonden in het verkeer op de openbare weg, rekent het hof de verdachte zwaar aan. Dit soort geweld roept niet alleen bij het slachtoffer gevoelens van onveiligheid en angst op maar ook bij betrokkenen die er getuigen van zijn.
Het hof neemt in ogenschouw de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS), op grond waarvan voor dergelijke feiten een geldboete van € 750 in beginsel gerechtvaardigd is. Gelet op de beperkte draagkracht van de verdachte acht het hof een geldboete echter niet op zijn plaats. Door de raadsman van de verdachte is gesteld dat de verdachte vanwege medische redenen niet in staat is een taakstraf uit te voeren maar dit standpunt is desgevraagd niet met stukken onderbouwd. Het hof kan dan ook niet vaststellen dat de verdachte niet in staat is een taakstraf uit te voeren. Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een taakstraf passend en geboden. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 mei 2018 eerder ter zake van een geweldsmisdrijf onherroepelijk is veroordeeld, maar dat dit een relatief oud en een enkel feit betreft. Het hof vindt het daarnaast in dit geval op zijn plaats een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen. De bewezenverklaarde gedragingen getuigen van een kort lontje bij de verdachte en rechtvaardigen een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur. Het hof ziet – anders dan de rechtbank – geen aanleiding tot het opleggen van bijzondere voorwaarden nu door de reclassering dit niet is geadviseerd en ook niet anderszins noodzakelijk is gebleken.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.021,34. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 621,34, bestaande uit € 371,34 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd, waardoor van rechtswege de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 634,21 in hoger beroep aan de orde is.
De raadsman heeft de hoogte van de vordering van de benadeelde partij betwist door aan te voeren dat er sprake is van medeschuld van de benadeelde partij. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de benadeelde partij degene was die de eerste klap uitdeelde en dat daardoor de situatie is geëscaleerd. De verdachte was weliswaar aan het schreeuwen en liep naar het slachtoffer toe, maar het slachtoffer was de eerste die de grens over ging, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de verdachte de hoogte van de opgevoerde schade en het causale verband met het bewezenverklaarde feit niet gemotiveerd heeft betwist. Zo heeft de raadsman niet aangegeven, laat staan onderbouwd tot welk bedrag de vordering zou moeten worden gematigd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in die zaak bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De door de benadeelde partij geleden immateriële schade stelt het hof op de voet van art. 6:106 BW Pro naar billijkheid vast op een bedrag van € 250. De verdachte is tot vergoeding van die materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering tot die bedragen zal worden toegewezen.
Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de eigen schuld van de benadeelde partij, brengt het hof niet tot een ander oordeel. De schade is ontstaan door de mishandeling van de benadeelde partij, die niet het op haar uitgeoefende geweld heeft uitgelokt. Ook als tot uitgangspunt wordt genomen dat de benadeelde partij de verdachte (als eerste) een kras in de nek heeft bezorgd, rechtvaardigde dat op geen enkele wijze het door verdachte op het lichaam van de benadeelde partij uitgeoefende geweld. Aan de schade die door dat geweld is ontstaan draagt de benadeelde partij daarom naar het oordeel van het hof geen eigen schuld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de oplegging van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) week.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. H.A. van Eijk en mr. A. van Verseveld, in tegenwoordigheid van mr. S.W.H. Bootsma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 juni 2018.
mr. H.A. van Eijk en mr. A. van Verseveld zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]