De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling van een vrouw na een woordenwisseling over het niet verlenen van voorrang in het verkeer. Hij sloeg en schopte het slachtoffer, waardoor deze lichamelijk letsel opliep. Het hof bevestigde de bewezenverklaring maar vernietigde de strafoplegging van de politierechter.
In hoger beroep werd de straf aangepast naar een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar. Het hof achtte de mishandeling ernstig vanwege het geweld op de openbare weg en de impact op het slachtoffer en omstanders. Een geldboete werd afgewezen vanwege de beperkte draagkracht van de verdachte.
De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd deels toegewezen: € 371,34 materiële en € 250 immateriële schade. De stelling van medeschuld door de benadeelde partij werd verworpen omdat het geweld van de verdachte niet gerechtvaardigd was, ook niet als het slachtoffer de eerste kras had toegebracht.
Het hof legde geen bijzondere voorwaarden op omdat de reclassering dit niet adviseerde. De verdachte had eerder een enkel geweldsfeit begaan, maar dit was relatief oud. De taakstraf werd gemotiveerd als passend en de voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur vanwege het korte lontje van de verdachte.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 15 juni 2018.