Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2018:5116

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2018
Publicatiedatum
13 maart 2019
Zaaknummer
23-001417-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 63 SrArt. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor aanwezig hebben van MDMA

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 80 pillen en 29,9 gram MDMA in Amsterdam op 1 februari 2017.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze hoeveelheid MDMA bij zich had, maar sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde werd bevestigd, aangezien het handelen in strijd was met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet.

De politierechter had een gevangenisstraf van één maand opgelegd, de advocaat-generaal vorderde zes weken waarvan vier voorwaardelijk. De raadsvrouw verzocht om een voorwaardelijke straf met taakstraf gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de recidive van de verdachte en maatschappelijke belangen en bevestigde de gevangenisstraf van één maand.

Het hof wees een voorwaardelijke straf met taakstraf af en legde de straf op gelet op de ernst van het feit en eerdere veroordelingen. Het arrest werd uitgesproken door een meervoudige strafkamer op 10 december 2018.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voor het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001417-18
datum uitspraak: 10 december 2018
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-223238-17 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
26 november 2018.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 februari 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 83 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of
- ongeveer 29,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 1 februari 2017 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 80 pillen, van een materiaal bevattende MDMA, en
- 29,9 gram van een materiaal bevattende MDMA.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren.
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen. De verdachte woont weer thuis, heeft thans reclasseringscontact en het gaat goed met hem.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een flinke hoeveelheid pillen met MDMA en 29,9 gram MDMA. Hiermee heeft de verdachte gehandeld in strijd met de Opiumwet. Door het aanschaffen van MDMA worden de handel in en het gebruik van MDMA in stand gehouden. Dit is bezwarend voor de samenleving vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit en risico’s voor de volksgezondheid.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 november 2018 is hij eerder ter zake van de Opiumwet onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.
Gelet op het voorgaande en gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd aan recidivisten, acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en geboden. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G. Oldekamp, mr. H.A. van Eijk en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van
mr. D.J. Lutje Wagelaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 december 2018.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]