Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [de man] (hierna: de man), bijgestaan door mr. J.M. Neervoort;
- de vrouw, bijgestaan door mr. M.M. van Eeten.
Gerechtshof Amsterdam
De man en vrouw hadden een relatie waaruit drie kinderen zijn geboren, die bij de vrouw verblijven. De goederen van de man zijn onder bewind gesteld vanwege langdurige schulden. De vrouw vorderde een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, vastgesteld op €200 per maand.
De bewindvoerder van de man kwam in hoger beroep tegen deze beschikking en stelde dat de man geen draagkracht heeft vanwege zijn schulden en leefgeld. De vrouw betwistte dit en stelde dat het inkomen van de man hoger is en dat schulden niet meegewogen moeten worden.
Het hof oordeelde dat het netto inkomen van de man ongeveer €1.498 per maand bedraagt, maar dat hij vanwege beslag en schulden slechts een beperkt leefgeld heeft. Gezien de langdurige bewindvoering en schuldsituatie acht het hof de man niet in staat meer dan een minimale bijdrage van €25 per maand te betalen, verdeeld over twee gezinnen. De aanvaardbaarheidstoets van de bewindvoerder werd niet gevolgd wegens onvoldoende onderbouwing.
De ingangsdatum van de bijdrage werd vastgesteld op 10 mei 2017, de datum van indiening van het verzoek in eerste aanleg. Het hof bepaalde dat de vrouw geen terugbetaling hoeft te doen van bedragen die zij boven deze minimale bijdrage heeft ontvangen. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en vervangen door deze nieuwe regeling.
Uitkomst: Man betaalt vanaf 10 mei 2017 een minimale kinderbijdrage van €25 per maand vanwege beperkte draagkracht.