ECLI:NL:GHAMS:2018:4022
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van overeenkomst tot overname aandeel en samenwerking in wasserette
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of op 5 september 2013 tussen appellant en geïntimeerde een overeenkomst tot stand was gekomen waarbij appellant het aandeel van een derde in een vennootschap onder firma en de bijbehorende activa en passiva zou overnemen. Het hof heeft uitgebreid getuigenverklaringen en schriftelijke stukken onderzocht, waaronder verklaringen van appellant, geïntimeerde en een adviseur.
Appellant en zijn adviseur verklaarden gedetailleerd dat op 6 augustus en 5 september 2013 duidelijke afspraken zijn gemaakt over de overname van het aandeel en de voortzetting van de wasserette, inclusief de verdeling van lasten zoals de hypotheekschuld. Deze verklaringen werden ondersteund door e-mails en andere documenten die de intenties en afspraken bevestigen.
Geïntimeerde ontkende dat overeenstemming was bereikt en stelde dat de gesprekken slechts verkennend waren, met tegenstrijdige verklaringen over de inhoud en de mate van overeenstemming. Het hof oordeelde echter dat de verklaring van geïntimeerde onvoldoende was om het bewijs van appellant en zijn adviseur te ontkrachten.
Het hof stelde vast dat de overeenkomst van 5 september 2013 is komen vast te staan en kende appellant het recht toe om deze overeenkomst bevestigd te krijgen. Omdat de praktische en juridische gevolgen van deze vaststelling nog onvoldoende waren besproken, gelastte het hof een comparitie van partijen om deze aspecten en de mogelijkheid van een schikking te bespreken.
Uitkomst: Het hof bevestigt het bestaan van de overeenkomst van 5 september 2013 en gelast een comparitie om verdere juridische en praktische aspecten te bespreken.