ECLI:NL:GHAMS:2018:3602
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie en draagkrachtberekening man
Partijen hadden tot medio juli 2016 een relatie en zijn gezamenlijk belast met het gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2014. De vrouw vorderde een hogere bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dan door de rechtbank was vastgesteld. De man stelde zich op het standpunt dat de rechtbank terecht was uitgegaan van zijn daadwerkelijke inkomsten als vennoot in een vennootschap onder firma (vof).
Het hof oordeelde dat bij de bepaling van de behoefte van het kind moet worden uitgegaan van het netto besteedbaar inkomen (NBI) dat partijen feitelijk ter beschikking stond tijdens hun relatie. Dit betekent dat het aandeel van de man in de vof als uitgangspunt geldt, inclusief inkomsten uit vermogen en verhuur van een tweede woning. De man had daarnaast een BV waarin hij vermogen opbouwt, maar het hof achtte dit vermogen niet direct relevant voor de draagkracht zolang het niet is ingezet voor het levensonderhoud.
De draagkracht van de man werd berekend op basis van het totale resultaat van de vof, inclusief fiscale voordelen en inkomsten uit verhuur en vermogen, wat resulteerde in een NBI van €5.689 per maand. De vrouw ontving een bijstandsuitkering en kon geen verdiencapaciteit worden toegerekend vanwege haar psychische gesteldheid. De zorgkorting werd vastgesteld op 25% van de behoefte van het kind, wat leidde tot een maandelijkse bijdrage van €501 voor de man vanaf 1 januari 2017.
De man werd niet veroordeeld in proceskosten omdat het hoger beroep niet evident nodeloos was ingesteld. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze aangepaste bijdrage.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 januari 2017 een kinderalimentatie van €501 per maand betalen.