Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
-en de maatregel van schorsing voor de duur van vier maanden opgelegd.
Gerechtshof Amsterdam
De klacht van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) tegen een gerechtsdeurwaarder is gegrond verklaard omdat deze niet voldeed aan de kwaliteitsnormen zoals vereist in artikel 21 van Pro de Verordening KBvG Normen voor Kwaliteit. Na een toetsing in oktober 2016 bleek het kantoor van de gerechtsdeurwaarder meerdere non-conformiteiten te vertonen, wat leidde tot het niet verlenen van een positief toetsingsverslag.
De gerechtsdeurwaarder heeft de gegrondheid van de klacht niet betwist, maar ging in hoger beroep tegen de opgelegde maatregelen, met name de geldboete van €2.000. Het hof vernietigde de eerdere beslissing en legde een lagere geldboete van €1.500 op, naast een schorsing van vier maanden die pas ingaat bij herbenoeming, aangezien de gerechtsdeurwaarder inmiddels ontslag had gekregen.
Het hof oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder gedurende een aanzienlijke periode de kwaliteit van zijn beroepsuitoefening in gevaar bracht en dat de maatregelen passend zijn. Gezien de financiële situatie van de gerechtsdeurwaarder werd de boete verlaagd. Tevens werd afgezien van een kostenveroordeling wegens bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: De klacht is gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder is gesanctioneerd met een geldboete van €1.500 en een schorsing van vier maanden die ingaat bij herbenoeming.