Op 5 september 2016 ontstond een verkeersruzie tussen de verdachte en het slachtoffer te Zaandam. De verdachte sloeg en trapte het slachtoffer meerdere malen, waaronder een 'vliegende trap' op de borst en een vuistslag op het oog. De verdachte stelde in hoger beroep dat hij handelde uit noodweer vanwege een aanhoudende bedreiging door het slachtoffer.
Het hof oordeelde dat het noodweerverweer niet aannemelijk was, mede omdat de verdachte dit pas in hoger beroep aanvoerde en de feiten zoals vastgesteld niet overeenkomen met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €600, subsidiair 12 dagen hechtenis, maar het hof stelde de straf vast op een geldboete van €500, subsidiair 10 dagen hechtenis, te betalen in vijf termijnen.
De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard wegens de belasting van het strafgeding; het slachtoffer kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De verdachte is strafbaar bevonden voor mishandeling en veroordeeld overeenkomstig het bewezen verklaarde.