Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
grief Iover beklaagt dat de kantonrechter bepaalde feiten niet heeft vermeld, doet dit aan de juistheid van de wel door hem vastgestelde feiten niet af en zal het hof daarop zo nodig hierna terugkomen.
3.De beoordeling
18 april 2017hebben wij (wederom) de woning [adres 1] bezocht in verband met het vermoeden van onrechtmatige bewoning. Ter plekke is onomstotelijk vast komen te staan dat de woning niet door u als hoofdverblijf wordt gebruikt. U heeft de woning afgestaan aan derden. (…) Omdat u niet aan uw verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft voldaan sommeren wij u,
binnen tien dagenna dagtekening van deze brief, de huur van de woning [adres 1] op te zeggen met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van minimaal één maand. (…) Omdat u de woning heeft onderverhuurd dan wel in gebruik heeft gegeven aan derden beroepen wij ons op artikel 6.7 van de Algemene Huurvoorwaarden. Daarin staat dat indien huurder het gehuurde zonder toestemming van de verhuurder geheel of gedeeltelijk heeft onderverhuurd, in huur heeft afgestaan of aan derden in gebruik heeft gegeven, rust de bewijslast dat de huurder onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft behouden op huurder. (…)”
grief IVfaalt.
grief IIIfaalt. Daartoe is het volgende redengevend.
grief II,
grief V,
grief VIen
grief VIIevenmin terecht zijn voorgesteld.