ECLI:NL:GHAMS:2018:2667
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.P. den Otter
- M.F.J.M. de Werd
- M.E. Hinskens - van Neck
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken wederrechtelijk voordeel bij hennepzaak
Het openbaar ministerie had in eerste aanleg gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde zou worden vastgesteld op een bedrag van €75.000, later verhoogd tot €148.476,88. De rechtbank Noord-Holland veroordeelde de verdachte voor het telen van hennep en diefstal van elektriciteit en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €32.217,69, met een betalingsverplichting van €28.995,92 aan de Staat.
De veroordeelde stelde hoger beroep in tegen zowel de straf als de ontnemingsvordering. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat niet bewezen was dat de veroordeelde zich schuldig had gemaakt aan het telen van hennep, maar wel aan het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten. Op basis hiervan concludeerde het hof dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel had behaald.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees de ontnemingsvordering af. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 24 juli 2018.
Uitkomst: Het gerechtshof wijst de ontnemingsvordering af wegens het ontbreken van wederrechtelijk verkregen voordeel.