In deze zaak is [appellante], voormalig werknemer van ABN AMRO, in hoger beroep gekomen tegen de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden en geoordeeld dat geen recht bestond op een transitievergoeding vanwege een gelijkwaardige cao-regeling. Tevens werd geen billijke vergoeding toegekend wegens het ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever.
Het hof heeft vastgesteld dat herstel binnen de redelijke termijn van 26 weken na de UWV-beslissing niet aannemelijk was, mede door het ontbreken van een deugdelijk bedrijfsartsrapport en onvoldoende medewerking van [appellante]. Ook was herplaatsing binnen twee maanden niet realistisch, aangezien ABN AMRO voldoende onderzoek had gedaan en [appellante] geen concrete herplaatsingsmogelijkheden had aangedragen.
Ten aanzien van de transitievergoeding oordeelde het hof dat de cao-regeling, bestaande uit een suppletieregeling en premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, een gelijkwaardige voorziening vormt in de zin van artikel 7:673b lid 1 BW. De financiële waarde van deze cao-regeling overtreft de transitievergoeding ruimschoots, waardoor geen recht op een aparte transitievergoeding bestaat.
Het hof wees het beroep van [appellante] af, bekrachtigde de bestreden beschikking en veroordeelde haar in de kosten van het hoger beroep. Er was geen grond voor toekenning van een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van ABN AMRO.