ECLI:NL:GHAMS:2018:2195
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij gewelddadige diefstal in kledingwinkel
In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2017 heeft het gerechtshof Amsterdam op 3 juli 2018 uitspraak gedaan. De verdachte werd verdacht van diefstal met geweld en afpersing in vereniging in een kledingwinkel te Amsterdam op 15 september 2015. Het openbaar ministerie vorderde een gevangenisstraf van twee jaar.
De tenlastelegging betrof onder meer bedreigingen met een mes, het gebruik van geweld en het wegnemen van goederen en geld van het slachtoffer. De verdediging voerde aan dat er slechts één getuige was die de verdachte identificeerde en dat het proces-verbaal van bevindingen onvoldoende steunbewijs bevatte, met name over het typerende loopje van de verdachte. Ook werd aangevoerd dat geen sprake was van medeplegen.
Het hof oordeelde dat de verklaringen van de aangever onvoldoende steun vonden in ander bewijs. Het proces-verbaal van bevindingen gaf geen concrete beschrijving van het typerende loopje, en nadere informatie was niet meer beschikbaar. Ook het feit dat de verdachte enkele gouden tanden heeft, werd onvoldoende onderscheidend geacht. Het ontbreken van technisch bewijs en buit bij de verdachte, evenals het feit dat hij slechts samen met een medeverdachte was aangehouden bij een ander feit, vormden geen voldoende steun.
Daarom sprak het hof de verdachte vrij van het ten laste gelegde. De vordering van de benadeelde partij werd niet herhaald in hoger beroep, zodat het hof hierover niet oordeelde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid bij de gewelddadige diefstal.