Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
- [Y] (verder: de moeder);
- De minderjarige [A] ;
- De minderjarige [B] ;
- De minderjarige [C]
- [D] (hierna: de vader van [kind a] );
- [W] (hierna: de vader van [kind b] );
- [R] (hierna: de vader van [kind c] ).
Gerechtshof Amsterdam
In eerste aanleg is de grootmoeder samen met de moeder belast met het gezag over drie minderjarige kinderen. De grootmoeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking. Zij stelde dat zij niet op de hoogte was van de financiële gevolgen van het gezamenlijk gezag, omdat zij daardoor geen pleegzorgvergoeding meer ontvangt en alleen op toeslagen kan terugvallen. Tevens gaf zij aan dat de moeder niet meewerkt aan beslissingen over de kinderen en dat zij in de toekomst graag het gezag alleen wil uitoefenen.
De gecertificeerde instelling (GI) en de raad voor de kinderbescherming benadrukten het belang van begeleiding voor de kwetsbare kinderen en wezen op onzekerheden bij beëindiging van het gezag van de moeder. Het hof overwoog dat het hoger beroep niet bedoeld is om een op eigen verzoek verkregen beschikking ongedaan te maken en dat de grootmoeder onvoldoende belang had bij het hoger beroep. De financiële argumenten waren onvoldoende onderbouwd en de grootmoeder kon aanspraak maken op andere toeslagen.
Het hof concludeerde dat de grootmoeder niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Ook de toekomstige situatie van een mogelijk verzoek tot gezagsbeëindiging van de moeder bood geen voldoende grond voor ontvankelijkheid. De beschikking werd op 29 mei 2018 in het openbaar uitgesproken door het hof.
Uitkomst: De grootmoeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking tot gezamenlijk gezag over de kinderen.