ECLI:NL:GHAMS:2018:2028

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2018
Publicatiedatum
20 juni 2018
Zaaknummer
23-000469-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 4 OpiumwetArt. 3a vijfde lid Opiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte invoer cocaïne wegens onvoldoende bewijs

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte werd beschuldigd van het invoeren van cocaïne op Schiphol op 9 oktober 2014.

De verdachte werd ervan verdacht samen met een medeverdachte cocaïne het land binnen te brengen. De advocaat-generaal vorderde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden. Tijdens het hoger beroep is echter vastgesteld dat het bewijs onvoldoende is om de betrokkenheid van de verdachte met de vereiste mate van zekerheid vast te stellen.

Het hof nam mee dat de verdachte de medeverdachte slechts op 1 oktober 2014 op Schiphol had afgezet en later weer had opgehaald, wat op zichzelf geen bewijs is van betrokkenheid. Ook ontkende de verdachte steeds zijn betrokkenheid, en de verklaringen van de medeverdachte waren tegenstrijdig en wezen niet ondubbelzinnig naar de verdachte. Daarnaast leverden getuigenverklaringen en sms-berichten geen concreet bewijs op.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van de tenlastelegging. Het hof verklaarde niet bewezen dat de verdachte de invoer van cocaïne heeft gepleegd.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij invoer van cocaïne.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000469-15
datum uitspraak: 19 juni 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 januari 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-821000-14 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
Volgens eigen opgave wonende te: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 09 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte alleen of tezamen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte] een (strafbare) rol heeft gespeeld bij de invoer van cocaïne op Schiphol op 9 oktober 2014.
In het bijzonder zijn daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:
de verdachte heeft enige betrokkenheid bij het ten laste gelegde steeds ten stelligste ontkend,
de medeverdachte [medeverdachte] heeft de verdachte niet ondubbelzinnig aangewezen als iemand die een rol heeft gespeeld bij de invoer van de cocaïne in zijn reisbagage,
de verklaringen van [medeverdachte] bevatten bovendien op wezenlijke onderdelen tegenstrijdigheden,
na het horen van drie getuigen in hoger beroep is er geen de verdachte belastende informatie aan het dossier toegevoegd,
de overige bewijsmiddelen, waaronder sms berichten, zijn op zichzelf noch in onderlinge samenhang voldoende concreet en specifiek om daaruit de strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte aan te nemen.
Het enkele gegeven dat de verdachte op 1 oktober 2014 [medeverdachte] vóór zijn vlucht op Schiphol heeft afgezet en nadat deze op 9 oktober 2014 daar was geland heeft opgehaald doet daaraan niet af.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan
en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. W.M.C. Tilleman en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 juni 2018.
[…]