In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de erflaatster wilsbekwaam was bij het opmaken van haar testament op 1 augustus 2011. Het hof benoemde een neuroloog als deskundige die concludeerde dat er mogelijk sprake was van een cognitieve stoornis, maar geen dementie was vastgesteld op die datum. De deskundige benadrukte het belang van de toestand van de erflaatster op het moment van het testament en wees op tegenstrijdige conclusies van eerdere experts.
Geïntimeerden stelden dat het deskundigenrapport niet volgens de regels tot stand was gekomen, omdat zij niet in de gelegenheid waren gesteld om opmerkingen te maken en aanvullende stukken niet waren gedeeld. Het hof oordeelde dat een nader deskundigenonderzoek noodzakelijk was, waarbij partijen de mogelijkheid krijgen om opmerkingen en verzoeken in te dienen, waarna een aanvullend rapport zal worden opgesteld.
Daarnaast werd het nodig geacht om getuigen te horen die betrokken waren bij de totstandkoming van het testament, waaronder notarissen en getuigen bij het passeren van het testament. Het hof staat het bewijsaanbod van geïntimeerden toe om te onderzoeken of de erflaatster op de datum van het testament leed aan vasculaire dementie die haar wilsbekwaamheid zou hebben beïnvloed.
Na het nadere deskundigenbericht en de getuigenverhoren krijgen partijen gelegenheid om schriftelijk te reageren, waarna het hof de zaak zal voortzetten. Alle verdere beslissingen worden aangehouden totdat dit onderzoek is afgerond.