Uitspraak
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
€ 4.311,89 per maand, exclusief 8 procent vakantietoeslag en een dertiende maand.
Gerechtshof Amsterdam
De appellant, een bankmedewerker met dyslexie, werd ontslagen nadat hij niet meer voldeed aan de functie-eisen. Na diverse beoordelingen en een dyslexietest werd afgesproken dat hij zich zou oriënteren op een andere functie binnen de Rabobank. Ondanks begeleiding slaagde hij hier niet in. Rabobank verzocht en kreeg toestemming van het UWV voor ontslag vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.
De appellant stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was en vorderde een schadevergoeding. Het hof oordeelde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was, omdat Rabobank hem adequaat had begeleid, de arbeidsrelatie duurzaam verstoord was en er geen passende functie beschikbaar was. Ook het feit dat de appellant een lagere inkomen geniet na ontslag en dat er geen vergoeding werd betaald, rechtvaardigt volgens het hof geen ander oordeel.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de appellant in de kosten van het hoger beroep. De beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag vindt plaats op het moment van het einde van de arbeidsovereenkomst.
Uitkomst: Het ontslag van de bankmedewerker met dyslexie wordt niet kennelijk onredelijk geacht en het vonnis wordt bekrachtigd.