Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, die gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun minderjarige dochter, zijn in geschil over de omgangsregeling. De dochter verblijft bij de moeder en heeft sinds 2012 slechts sporadisch contact gehad met haar vader. De rechtbank had een opbouwregeling vastgesteld waarbij contact via digitale middelen en uiteindelijk begeleid contact in persoon zou plaatsvinden.
De vader verzocht vernietiging van deze beschikking en een meer praktische regeling, terwijl de moeder en de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbanksbeslissing steunden. Het hof heeft de belangen van de minderjarige centraal gesteld en geconstateerd dat de dochter openstaat voor contact, maar dit in haar eigen tempo wil opbouwen.
Het hof heeft daarom een vaste omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader eenmaal per drie maanden contact heeft met zijn dochter, in beginsel onder begeleiding van de zus van de moeder, mits de dochter hiermee instemt. De regeling is uitvoerbaar bij voorraad en houdt rekening met de veiligheid en het welzijn van de minderjarige.
Uitkomst: Het hof stelt een omgangsregeling vast waarbij de vader eenmaal per drie maanden onder begeleiding contact heeft met zijn dochter.