ECLI:NL:GHAMS:2018:1005

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 maart 2018
Publicatiedatum
28 maart 2018
Zaaknummer
000036-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 90 SvArt. 591a SvArt. 9a SrOpiumwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schadevergoeding en deels toekenning kosten rechtsbijstand in strafzaak Opiumwet

Appellant heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van schade en kosten rechtsbijstand in verband met een strafzaak wegens overtreding van de Opiumwet. De rechtbank wees het verzoek tot schadevergoeding af en kende slechts een beperkte forfaitaire vergoeding toe voor de kosten van het verzoekschrift.

In hoger beroep heeft het hof het dossier bestudeerd en vastgesteld dat appellant door zijn eigen gedragingen de verdenking en inverzekeringstelling heeft veroorzaakt. Appellant en een medeverdachte benaderden voorbijgangers en verrichtten een drugstransactie, waarna appellant werd aangehouden met een zakje wit poeder.

Het hof oordeelt dat er geen gronden van billijkheid zijn voor toekenning van schadevergoeding of kosten rechtsbijstand in de strafzaak zelf. Wel kent het hof een forfaitaire vergoeding van €560 toe voor de kosten van rechtsbijstand in de verzoekschriftprocedure, mede omdat de advocaat niet in eerste aanleg maar wel in hoger beroep is verschenen.

Het hof vernietigt de eerdere beschikking, wijst het meer of anders gevorderde af en bepaalt verrekening van een openstaand bedrag met de toegekende vergoeding. De beschikking is uitgesproken op 9 maart 2018 door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Verzoek tot schadevergoeding afgewezen, forfaitaire vergoeding van €560 toegekend voor kosten rechtsbijstand in verzoekschriftprocedure.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling strafrecht
Rekestnummers: 000037-18 (89 Sv) en 000036-18 (591a Sv)
Parketnummer in eerste aanleg: 13-741072-17
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2017 op het verzoekschrift op de voet van de artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,
mr. W.P.A. Vos, [adres].

1.Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van € 315,00, ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering in de strafzaak met voormeld parketnummer.
Het verzoekschrift strekt voorts tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van
€ 712,38 ter zake van de kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer alsmede tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van kosten die verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van het onderhavige verzoek.

2.Procesverloop

De rechtbank heeft bij beschikking van 31 augustus 2017 het verzoek ex artikel 89 Sv Pro afgewezen en het verzoek ex artikel 591a Sv slechts in dier voege toegewezen dat er een forfaitair bedrag van € 280,00 is toegekend voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
Het hoger beroep is op 13 oktober 2017 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 23 februari 2018 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet verschenen.

3.Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Ingevolge het bepaalde in artikel 90, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 89 Sv Pro
Appellant is op 31 maart 2017 in verzekering gesteld op verdenking van – kort gezegd – overtreding van de Opiumwet. Appellant is op 3 april 2017 in vrijheid gesteld.
Uit het onderliggende strafdossier en de daarin opgenomen bevindingen van de betrokken opsporingsambtenaren vloeit de volgende aanleiding voor de verdenking en bezwaren jegens appellant voort. Appellant en zijn medeverdachte [medeverdachte] spraken op de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam voorbijgangers aan. Op een geven moment sprak appellant drie voorbijgangers aan en liep hij met een van hen naar de zich intussen in de Pijlsteeg bevindende [medeverdachte]. Appellant, [medeverdachte] en de aangesproken persoon gingen dicht op elkaar staan, de aangesproken persoon kreeg iets in zijn handen gestopt van [medeverdachte] en die aangesproken persoon gaf iets gaf aan [medeverdachte], waarbij appellant steeds om zich heen keek. Daarna zijn appellant en [medeverdachte] samen weggelopen. Na zijn aanhouding in verband met deze feiten en omstandigheden is bij appellant een zakje met wit poeder alsmede verpakkingsmateriaal (envelopjes) aangetroffen. Gelet op het voorgaande heeft appellant door zijn gedragingen de verdenking over zichzelf afgeroepen dat hij handelde in verdovende middelen, als gevolg waarvan hij is aangehouden en vervolgens in verzekering is gesteld. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat appellant de verdenking, ernstige bezwaren en de daaropvolgende inverzekeringstelling aan zichzelf te wijten heeft en acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van het verzoek.
Ten aanzien van het verzoek op de voet van artikel 591a Sv
Om bovenstaande redenen zijn evenmin gronden van billijkheid aanwezig voor vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de strafzaak.
Gronden van billijkheid zijn wel aanwezig voor toekenning een vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure, te weten de forfaitaire vergoeding van
€ 560,00 (advocaat niet verschenen in eerste aanleg, wel verschenen in hoger beroep).
Verrekening
Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de onderstaande geldsom vatbaar is voor verrekening overeenkomstig artikel 90, lid 3 Sv. Het hof zal het toegekende bedrag verrekenen met de door verzoeker aan de Staat verschuldigde geldsom.
Nu het hof deels tot een andere beslissing komt zal het de beschikking waarvan beroep vernietigen.

4.Beslissing

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Kent op de voet van artikel 591a Sv uit ’s Rijks kas aan verzoeker een vergoeding toe van € 560,00 (vijfhonderdzestig euro).
Bepaalt de verrekening met de hierna te noemen aan de Staat verschuldigde geldsom:
CJIB-nummer openstaand bedrag verrekening
[nummer] € 307,03 € 307,03
Wijst het meer of anders verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, J.H.C. van Ginhoven en P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 9 maart 2018.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van
- € 307,03 € 307,03 bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. CJIB
o.v.v. [nummer] en
- € 252,97 € 252,97 bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [naam].
Amsterdam, 9 maart 2018,
mr. R.D. van Heffen, voorzitter.