ECLI:NL:GHAMS:2017:868

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 maart 2017
Publicatiedatum
17 maart 2017
Zaaknummer
23-002969-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 63 SrArt. 300 Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling ex-vriendin in uitgaansgelegenheid

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam betreffende mishandeling op 20 oktober 2013. Verdachte werd beschuldigd van het met kracht slaan van zijn ex-vriendin, waarbij deze pijn heeft ondervonden. De getuigenverklaringen werden kritisch beoordeeld; de verklaring van een getuige werd uitgesloten wegens mogelijke beïnvloeding, terwijl de verklaring van de eerste getuige als betrouwbaar werd aangemerkt.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte mishandeling heeft gepleegd door met een tot vuist gebalde hand het gezicht van het slachtoffer te slaan. Verdachte werd strafbaar verklaard, zonder dat er omstandigheden waren die de strafbaarheid uitsloten. De rechtbank legde aanvankelijk een geldboete van €550,- op, subsidiair 11 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal vorderde een lagere geldboete van €400,- en 8 dagen hechtenis. Het hof oordeelde echter dat gezien de ernst van het feit, de openbare geweldpleging en de eerdere veroordeling van verdachte, een hogere straf passend was. Daarom werd een hogere geldboete opgelegd dan de advocaat-generaal had gevorderd, zonder termijnbetaling. Het hof verwierp het verweer van overschrijding van de redelijke termijn.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd, de eerdere strafbeschikking ingetrokken, en verdachte veroordeeld tot een hogere geldboete en hechtenis. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een hogere geldboete en 8 dagen hechtenis wegens mishandeling van zijn ex-vriendin.

Uitspraak

parketnummer: 23-002969-16
datum uitspraak: 16 maart 2017
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-098595-14 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 oktober 2013 te Amsterdam opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),
- ( met kracht) (in) de keel heeft geknepen en/of vastgehouden en/of
- ( met kracht) met de (tot vuist gebalde) hand tegen het gezicht/hoofd, in elk geval het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen,
waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bespreking van een gevoerd verweer

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de getuigenverklaringen niet betrouwbaar zijn. De getuigen [naam] en [getuige] zijn immers met de aangeefster bevriend en hun verklaringen zijn bijna ‘copy paste’; aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.
Het hof constateert dat de getuige [naam] haar verklaring ten overstaan van verbalisant [verbalisant] heeft afgelegd op 20 oktober om 01:40 uur. In aansluiting daarop heeft de getuige [getuige] ten overstaan van dezelfde verbalisant verklaard op 20 oktober 2017 om 02:25 uur. Met de raadsman constateert het hof dat beide verklaringen op wezenlijke punten identiek zijn, zowel wat betreft formuleringen, als lay out en spelling(fouten). Dit brengt het hof tot de conclusie dat niet uit te sluiten valt dat niet alleen bij verbalisant [verbalisant] wetenschap bestond van de voordien afgelegde verklaring van [naam], maar de formulering van de schriftelijk weergegeven verklaring van [getuige] daardoor eveneens is beïnvloed. Het hof zal daarom de verklaring van de getuige [getuige] niet bezigen voor de bewezenverklaring nu de betrouwbaarheid daarvan niet kan worden vastgesteld. De verklaring van [naam] is naar het oordeel van het hof wel betrouwbaar nu deze als eerste is afgelegd en niet valt in te zien dat de overeenkomst met de later afgelegde verklaring van [getuige] afbreuk doet aan de betrouwbaarheid daarvan. Dat van [naam] bevriend is met aangeefster doet hieraan niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 20 oktober 2013 te Amsterdam opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer],
- met kracht met de tot vuist gebalde hand tegen het gezicht geslagen,
waardoor deze pijn heeft ondervonden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 550,00, subsidiair 11 dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, subsidiair 8 dagen hechtenis eventueel in termijnen te voldoen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en voorts met het van toepassing zijnde artikel 63 van Pro Wetboek van Strafrecht rekening dient te worden gehouden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft in een uitgaansgelegenheid zijn ex-vriendin mishandeld. Door aldus te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en haar pijn toegebracht. Daarnaast dragen feiten als de onderhavige, waarbij geweld in het openbaar wordt aangewend, bij aan een gevoel van onveiligheid bij omstanders.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 februari 2017 is hij eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld, hetgeen het hof bij de strafmaat in het nadeel van de verdachte meeweegt. Het hof is gelet hierop en gelet op de ernst van het feit van oordeel dat met oplegging van een geldboete ter hoogte van € 400,00, subsidiair 8 dagen hechtenis niet kan worden volstaan. Het hof zal derhalve een hogere geldboete opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Voorts ziet het hof gelet op de financiële situatie van de verdachte als ter terechtzitting gebleken geen aanleiding om de geldboete in termijnen op te leggen. De verdachte heeft dat ook niet verzocht.
Gelet op de voortvarendheid van de behandeling in hoger beroep is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 1 juli 2014 onder CJIB-nummer 1132 5420 0177 5323.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 550,00 (vijfhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
11 (elf) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 maart 2017.