ECLI:NL:GHAMS:2017:849
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie: geen samenwoning en onvoldoende fiscale informatie
Partijen waren gehuwd en de man was verplicht partneralimentatie te betalen aan de vrouw. De man verzocht de alimentatie nihil te stellen vanaf juni 2014, stellende dat de vrouw samenwoonde met een derde als waren zij gehuwd, wat de alimentatieplicht zou beëindigen. De vrouw betwistte dit en voerde aan dat er geen sprake was van samenwoning als bedoeld in artikel 1:160 BW Pro.
Het hof onderzocht het rechercherapport waarop de man zich baseerde en concludeerde dat de feiten onvoldoende waren om samenwoning en een gemeenschappelijke huishouding aan te nemen. Observaties toonden slechts sporadisch verblijf van de derde bij de vrouw, zonder duurzame economische eenheid of financiële verwevenheid. De affectieve relatie was erkend, maar dat was niet voldoende voor beëindiging alimentatie.
Daarnaast stelde de man dat zijn draagkracht moest worden beoordeeld op basis van zijn netto inkomen volgens het Noorse fiscale stelsel. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende inzicht had gegeven in de Noorse fiscale regelgeving en zijn financiële situatie, waardoor draagkracht niet kon worden vastgesteld. De man had ook onvoldoende onderbouwd dat hij de ontslagvergoeding correct had ingezet ter compensatie van zijn alimentatieverplichting.
Het hof vernietigde de eerdere beschikkingen en wees het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie af. De alimentatieverplichting bleef dus bestaan. De vrouw kreeg gelijk in haar incidentele beroep dat de ontslagvergoeding bij de draagkracht moest worden betrokken, maar door het gebrek aan fiscale informatie kon dit niet adequaat worden beoordeeld.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot nihilstelling van partneralimentatie af en bevestigt de voortzetting van de alimentatieverplichting.