ECLI:NL:GHAMS:2017:586

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2017
Publicatiedatum
1 maart 2017
Zaaknummer
R 001859-16
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot matiging vergoeding advocaatkosten in hoger beroep strafzaak

In deze beschikking van het Gerechtshof Amsterdam is een verzoek tot vergoeding van advocaatkosten in hoger beroep beoordeeld. De verzoeker had kosten gemaakt voor rechtsbijstand en het opstellen en indienen van een verzoekschrift op grond van artikel 591a Sv.

De voorzitter heeft vastgesteld dat de zaak zonder strafoplegging is geëindigd en dat billijkheid gronden aanwezig zijn voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Wel is de vergoeding van reistijd en reiskosten van de advocaat gematigd omdat de advocaat in Breda gevestigd is terwijl de zitting in Amsterdam plaatsvond, en er ook een advocaat met gelijke kwalificaties dichterbij beschikbaar zou zijn geweest.

De vergoeding is gematigd tot een bedrag van € 1.256,95 voor de advocaatkosten exclusief reistijd, waarbij de reistijd is gematigd tot één uur. Daarnaast is het standaardbedrag van € 280,00 toegekend voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift, aangezien het verzoekschrift niet in raadkamer is toegelicht.

De totale vergoeding bedraagt € 1.536,95 en wordt uit ’s Rijks kas aan de verzoeker toegekend. Het verzoek tot een hogere vergoeding is afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding advocaatkosten wordt gedeeltelijk toegewezen met matiging van reistijd en reiskosten tot een totaalbedrag van € 1.536,95.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummer: 001859-16 / (591a Sv)
Parketnummer in hoger beroep: 23-004541-15
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. R.W. de Pater,
[adres].

1.Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van:
de kosten die de verzoeker stelt te hebben gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de zaak met voormeld parketnummer, ten bedrage van € 1.641,73;
de kosten ten behoeve van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het onderhavige verzoekschrift ten bedrage van € 280,00 (zonder mondelinge behandeling) dan wel € 550,00 (met mondelinge behandeling), zijnde de geldende standaardbedragen.

2.Procesverloop

De voorzitter heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met voormeld parketnummer en van het onderhavige verzoekschrift en heeft op 20 januari 2017 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. De verzoeker en zijn advocaat zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet in persoon in raadkamer verschenen. Na telefonisch contact tussen de griffier en een secretaresse van het kantoor van de advocaat vanuit de raadkamer is gebleken dat de advocaat niet bereikbaar was.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek, met dien verstande dat de verzochte vergoeding ten aanzien van de reistijd van de advocaat voor de duur van 2,5 uren op
10 februari 2016 dient te worden gematigd tot één uur en de verzochte vergoeding van de advocaat ter zake van de kosten van rechtsbijstand voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het onderhavige verzoekschrift dient te worden gematigd tot € 280,00, zijnde het geldende standaardbedrag, nu de advocaat het verzoekschrift niet in raadkamer heeft toegelicht.

3.Beoordeling van het verzoek

Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
De zaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het op 10 februari 2016 op tegenspraak gewezen arrest in die zaak is inmiddels onherroepelijk geworden.
De voorzitter is van oordeel dat gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een vergoeding ter zake van de kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de zaak.
Anders is dat echter wat betreft de bij de verzoeker in rekening gebrachte reiskosten en reistijd van de advocaat van de verzoeker. Het hof wil wel aannemen dat er zoveel tijd met het reizen ten behoeve van de zaak van de verzoeker gemoeid is geweest, maar acht het niet billijk dat de kosten daarvan in volle omvang voor rekening van de Staat zouden moeten komen. Het staat de verzoeker uiteraard vrij om zich te laten bijstaan door een advocaat van zijn keuze. Evenzeer is het begrijpelijk dat dit een advocaat is met (bijzondere) kennis van het verkeersrecht ten aanzien van snelheidsovertredingen, gelet op het karakter van het verwijt dat de verzoeker werd gemaakt. Niet valt echter in te zien dat een advocaat met gelijke kwalificaties niet dichter bij Amsterdam, de plaats waar het hoger beroep van de zaak van de verzoeker door het gerechtshof Amsterdam werd behandeld, zou zijn te vinden. Nu de verzoeker er desalniettemin voor heeft gekozen zich in deze te laten bijstaan door een in Breda gevestigde advocaat, is het billijk dat een deel van de bij de verzoeker in rekening gebrachte reiskosten en reistijd van die advocaat voor rekening van de verzoeker blijft. De voorzitter zal daarom de verzochte vergoeding matigen en slechts toewijzen tot een bedrag van € 1.256,95 (het verzochte honorarium betrof € 1.280,00 minus de reistijd à 1,5 uren maal € 200,00 per uur = € 980,00, vermeerderd met 6% kantoorkosten= € 1.038,80, vermeerderd met 21% BTW= € 1.256,95). De reistijd is daarbij gematigd tot 1 uur.
De voorzitter zal toewijzen het op artikel 591a Sv gebaseerde verzoek van de advocaat tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ter zake van de kosten van rechtsbijstand voor het opstellen en indienen (en derhalve niet toelichten) van het onderhavige verzoekschrift ten bedrage van € 280,00, zijnde het geldende standaardbedrag.

4.Beslissing

De voorzitter:
Kent uit ’s Rijks kas aan de verzoeker een vergoeding toe van
€ 1.536,95 (duizendvijfhonderdzesendertig euro en vijfennegentig cent).
Wijst het anders of meer verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de voorzitter van de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, mr. M.L. Leenaers, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 17 februari 2017.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van
€ 1.536,95 (duizendvijfhonderdzesendertig euro en vijfennegentig cent), te betalen uit ’s Rijks kas aan de verzoeker voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [Bankrekeningnummer] ten name van [naam].
Amsterdam, 17 februari 2017
Mr. M.L. Leenaers, voorzitter.