ECLI:NL:GHAMS:2017:5482

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 november 2017
Publicatiedatum
3 januari 2018
Zaaknummer
23-003609-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen witwassen

De veroordeelde werd in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van witwassen over de periode van 16 november 2007 tot en met 10 november 2010. In eerste aanleg werd een ontnemingsvordering van € 26.125,00 opgelegd, die in hoger beroep werd verhoogd tot € 52.250,00. De veroordeelde stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof, waarna de Hoge Raad het arrest vernietigde en de zaak terug verwees naar het gerechtshof Amsterdam.

Bij de hernieuwde behandeling van het hoger beroep heeft het hof de ontnemingsvordering opnieuw beoordeeld. De advocaat-generaal vorderde handhaving van het bedrag van € 52.250,00, stellende dat dit bedrag het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het bewezen verklaarde witwassen betreft. De raadsman van de veroordeelde voerde aan dat de veroordeelde geen daadwerkelijk financieel voordeel had genoten en dat het eventuele voordeel gemeenschappelijk was met zijn partner.

Het hof oordeelde dat het witwassen van het geld, waaronder de aanschaf van een auto en de kosten van verscheping en invoer daarvan naar Ghana, geen redelijkerwijs op geld waardeerbaar voordeel voor de veroordeelde had opgeleverd. Ook was geen sprake van vervolgprofijt. Verder waren er geen aanwijzingen dat de veroordeelde soortgelijke feiten had gepleegd die een ontnemingsvordering zouden rechtvaardigen.

Op grond hiervan vernietigde het hof het eerdere vonnis en wees de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af. De overige verweren van de raadsman behoefden geen bespreking meer. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 21 november 2017.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen omdat geen daadwerkelijk financieel voordeel is vastgesteld.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003609-16
datum uitspraak: 21 november 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam – na terugwijzing door de Hoge Raad – gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 20 december 2012 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-810575-11 tegen de veroordeelde:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Ghana) op [geboortedag] 1961,
adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 52.250,00.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 20 december 2012 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen witwassen in de periode 16 november 2007 tot en met
10 november 2010.
Voorts heeft de rechtbank Haarlem bij vonnis van 20 december 2012 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 26.125,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2015 veroordeeld terzake van – kort gezegd – medeplegen witwassen in de periode 16 november 2007 tot en met 10 november 2010.
Voorts heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 27 februari 2015 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 52.250,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest in de ontnemingszaak.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 september 2016 de uitspraak in de ontnemingszaak vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 november 2017.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Beoordeling van de ontnemingsvordering

Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in navolging van haar schriftelijke conclusie van 1 november 2017, gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 52.250,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag van de ontnemingsvordering het feit betreft waarvoor de veroordeelde is veroordeeld: witwassen.
De raadsman van de veroordeelde heeft primair bepleit de vordering af te wijzen. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de veroordeelde geen daadwerkelijk (vervolg)profijt heeft genoten uit het gronddelict (medeplegen van) witwassen. Daarnaast bestaan geen aanwijzingen dat veroordeelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, (oud) Sr, heeft gepleegd. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien de veroordeelde naar het oordeel van het hof wel voordeel heeft behaald, dit gemeenschappelijk voordeel betreft dat ook de partner van veroordeelde heeft genoten als gevolg waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs verdeeld dient te worden.
Toepasselijk recht
De ontnemingsvordering moet worden beoordeeld aan de hand van het destijds geldende artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dat luidde – voor zover hier relevant – als volgt.
"1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.”
Grondslag van de ontnemingsvordering
De eerste vraag is of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het bewezen verklaarde witwassen. Dat is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Het witwassen van het geldbedrag dat de veroordeelde voorhanden heeft gehad (door hiervan een auto te kopen en de kosten van verscheping en invoer daarvan naar/in Ghana te betalen) heeft hem geen redelijkerwijs op geld waardeerbaar voordeel opgeleverd. Van een hiermee samenhangend vervolgprofijt is evenmin sprake.
De tweede vraag is of voldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd heeft begaan. Het hof is van oordeel dat van dergelijke aanwijzingen niet is gebleken.
Nu het hof de vordering reeds op bovengenoemde gronden zal afwijzen, behoeven de overige door de raadsman gevoerde verweren geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst afde vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M. van der Nat, mr. P.C. Römer en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
21 november 2017.