Appellanten, aandeelhouders van HAB Holding die de leeftijd van 62 jaar hadden bereikt, werden geconfronteerd met een wijziging in de algemene bepalingen die hun aansluitingsovereenkomsten beëindigde. Hoewel het besluit tot wijziging volgens het hof niet strijdig is met de redelijkheid en billijkheid, is het wegvallen van inkomsten zonder compensatie jegens appellanten onaanvaardbaar en onrechtmatig.
De feiten tonen aan dat appellanten sinds 2002 als partners waren verbonden aan HAB en dat zij op basis van eerdere bepalingen tot hun 65e jaar aan de vennootschap verbonden konden blijven. De wijziging van 2014 stelde een uittredingsleeftijd van 62 jaar in, zonder dat een partnerevaluatie of andere legitimering voor deze leeftijdsgrens bestond.
Het hof stelt vast dat appellanten door het concurrentie- en relatiebeding in de algemene bepalingen daadwerkelijk worden belemmerd hun beroep uit te oefenen na beëindiging van de aansluitingsovereenkomst. De wijziging was gericht op het verbeteren van de winstgevendheid voor jongere partners, maar ontbrak aan een afdoende compensatie voor de oudere partners.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank voor zover het de compensatieplicht ontkent en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar de hoogte van een redelijke compensatie. Andere beslissingen worden aangehouden.
De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor nadere uitlatingen over de compensatie, waarna HAB kan reageren.