ECLI:NL:GHAMS:2017:5187
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Klacht tegen notaris wegens vermeende onjuiste verklaring van berusting in nalatenschap
Klaagster heeft een klacht ingediend tegen een notaris die in 1992 een akte heeft verleden waarbij werd gesteld dat de legitimarissen schriftelijk hadden verklaard te berusten in de bepalingen van het testament van haar moeder. Klaagster betwistte dat er daadwerkelijk vier verklaringen van berusting waren ondertekend en stelde dat de notaris zijn taak had moeten weigeren.
De kamer verklaarde de klacht niet-ontvankelijk wegens verjaring, maar het hof oordeelde dat klaagster wel ontvankelijk was omdat zij pas in 2016 kennis kon nemen van de vaststellingsovereenkomst. Het hof vernietigde de beslissing van de kamer en behandelde de klacht inhoudelijk.
Na beoordeling concludeerde het hof dat de akte in 1992 in beginsel juist was en dat er geen bewijs was dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld. De klacht werd daarom ongegrond verklaard. Tevens wees het hof het verzoek van klaagster om aanvullende stukken te overleggen af wegens gebrek aan wettelijke grondslag.
De zaak werd behandeld in hoger beroep, waarbij klaagster en de notaris verschenen en hun standpunten toelichtten. Het hof gaf een uitgebreide motivering en hield rekening met bezwaren van klaagster tegen de gang van zaken in eerste aanleg, maar vond deze niet doorslaggevend.
Uitkomst: De klacht tegen de notaris wordt ongegrond verklaard en de eerdere beslissing wordt vernietigd.