ECLI:NL:GHAMS:2017:5185
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Klacht tegen notaris over berusting legitimarissen in testament ongegrond verklaard
Klaagster diende een klacht in tegen een notaris die in 1992 een akte 'passeerklaar' zou hebben gemaakt terwijl volgens haar niet alle legitimarissen een verklaring van berusting hadden ondertekend. De kamer voor het notariaat verklaarde de klacht niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de verjaringstermijn. Het hof oordeelde echter dat klaagster pas in maart 2016 kennis kon nemen van de vaststellingsovereenkomst en daarom ontvankelijk was in haar klacht.
De kern van het geschil betrof de vraag of de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld door de akte te passeren terwijl niet alle legitimarissen schriftelijk hadden verklaard te berusten in het testament. Het hof stelde vast dat in de leveringsakte uit 1992 was opgenomen dat de legitimarissen schriftelijk hadden verklaard te berusten, en dat deze vermelding in beginsel juist wordt geacht tenzij aantoonbaar onjuist.
Omdat geen actie van de legitimarissen was ondernomen en het feit dat de vaststellingsovereenkomst slechts door drie personen was ondertekend niet automatisch de juistheid van de akte ontkracht, kon geen tuchtrechtelijk verwijt aan de notaris worden gemaakt. Het hof vernietigde de eerdere beslissing van de kamer, verklaarde klaagster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot overlegging van stukken en wees de klacht ongegrond af.
Uitkomst: De klacht tegen de notaris wordt ongegrond verklaard en de eerdere niet-ontvankelijkheidsbeslissing wordt vernietigd.