Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;
- memorie van antwoord in incidenteel appel;
- akte houdende wijziging eis van de kant van Flexabram.
2.Feiten
Grief 1 in principaal appelhoudt in dat de rechtbank ten onrechte een aantal vaststaande feiten niet als zodanig heeft vermeld. De grief faalt omdat de rechtbank niet gehouden was alle vaststaande feiten te vermelden. Het hof zal bij de beoordeling, waar nodig, rekening houden met het in de toelichting op deze grief door Flexabram gestelde.
3.Beoordeling
garandeert:
door Partij 1 hierbij volledig wordt gevrijwaard voor aanspraken van (...) Het Anker (...) (casu quo diens rechtsopvolger onder algemene titel) en eventuele daaruit voortvloeiende consequenties betreffende feiten welke hun oorsprong hebben in de periode tot heden.
. De Verkoper zal de Koper vervolgens mededelen of hij al dan niet verzet wenst te voeren tegen de gestelde aanspraken.
, waarmee deze overeenkomst zal zijn beëindigd, zulks onverminderd de verplichting van Partij 1 tot het verrichten van gemelde werkzaamheden.
grief in incidenteel appel, maar tevergeefs omdat voormeld oordeel, gelet op het bepaalde in art. 236 lid 1 Rv Pro, juist is. Het beroep van Iprem op het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1995 (ECLI:NL:HR:1995:ZC1719) is misplaatst omdat een situatie zoals in dat arrest aan de orde – en op welke situatie het desbetreffende oordeel van de Hoge Raad betrekking heeft – zich hier niet voordoet. Niets van wat Iprem in de toelichting op de grief aanvoert, kan tot een ander oordeel leiden.
niet-ontvankelijk verklaringvan Flexabram in een situatie als de onderhavige niet te beschouwen is als een ander dictum ten opzichte van een
afwijzingvan de vorderingen van Flexabram. Iprem behoefde dus niet incidenteel te appelleren om deze kwestie aan het hof voor te leggen en heeft dat kennelijk slechts zekerheidshalve gedaan.
Flexabramgegeven vrijwaring. Toevoeging van de woorden “casu quo diens rechtsopvolger” zou slechts tot gevolg hebben gehad dat Iprem ook de rechtsopvolger van Flexabram zou hebben gevrijwaard (met als gevolg dat die rechtsopvolger, dit ten gunste van hem gemaakte derdenbeding aanvaard hebbende, zelf Iprem ter zake zou kunnen aanspreken). Dit zou echter geen invloed hebben gehad op inhoud en omvang van de door Iprem aan Flexabram gegeven vrijwaring. Aan het niet opnemen van dergelijke woorden kan daarom in het kader van de uitleg van het beding evenmin beslissende betekenis worden toegekend.
rieven 4 en 6 in principaal appelstrekken ten betoge dat de rechtbank (in overweging 4.10 respectievelijk 4.11 van het bestreden vonnis) ten onrechte het beroep van Flexabram op dwaling respectievelijk non-conformiteit van de hand heeft gewezen.
grief 5 in principaal appel, die anders betoogt, faalt dus.