Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, die van 2005 tot 2012 een affectieve relatie hadden en een samenlevingsovereenkomst sloten in 2007, zijn in geschil geraakt over de afwikkeling van deze overeenkomst na beëindiging in 2012. De man vorderde onder meer verrekening van kosten van de huishouding, exploitatiekosten van de woning, schadevergoeding wegens bankgarantie en betaling van gebruiksvergoeding. De vrouw vorderde onder meer betaling van gebruiksvergoeding en afgifte van inboedel.
De rechtbank wees de meeste vorderingen af, wat de man en vrouw in hoger beroep aanvochten. Het hof overwoog dat partijen zich feitelijk niet aan de bijdrageverplichtingen hielden en dat de gezamenlijke rekening bedoeld was om de omvang van de kosten inzichtelijk te maken. Door vermenging van financiën kon geen concrete verrekening worden vastgesteld. Ook de vordering van de man inzake de exploitatiekosten faalde, aangezien hij de woning bleef bewonen en de vrouw geen gebruiksvergoeding kon vorderen.
De vordering van de man tot vergoeding van schade wegens bankgarantie werd afgewezen omdat de vordering van de vrouw van €55.000,- opeisbaar was bij ontbinding van de samenlevingsovereenkomst. De overige griefen van partijen faalden eveneens. Het hof bekrachtigde de vonnissen van de rechtbank en bepaalde dat ieder zijn eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank en wijst de vorderingen van partijen af; ieder draagt eigen proceskosten.