ECLI:NL:GHAMS:2017:3706

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 september 2017
Publicatiedatum
14 september 2017
Zaaknummer
23-000953-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 SvArt. 422 SvArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in diefstalzaak met voorwaardelijke gevangenisstraf na winkeldiefstal

De verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken voor het stelen van winkelgoederen op 16 september 2016 uit een winkelbedrijf in Amsterdam. Daarnaast was zij vrijgesproken van het ten laste gelegde binnendringen in een besloten lokaal waar haar de toegang was ontzegd.

In hoger beroep verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak wegens het ontbreken van een hoger beroepsmogelijkheid tegen deze beslissing. Het hof achtte het ten laste gelegde diefstalfeit wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de verdachte daarvoor.

Bij de strafoplegging nam het hof de ernst van het feit, de eerdere veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke feiten en haar afhoudende houding tijdens het reclasseringsonderzoek mee. Tegelijkertijd gaf het hof vanwege de recente verhuizing van de verdachte naar een 24-uurszorginstelling met intensievere begeleiding en de positieve invloed daarvan, de voorkeur aan een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof legde een gevangenisstraf van vier weken op, waarvan de uitvoering werd opgeschort met een proeftijd van twee jaar. Hiermee wilde het hof de behandeling en begeleiding van de verdachte niet doorkruisen en haar de kans geven zich te herpakken zonder onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaar wegens winkeldiefstal.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000953-17
datum uitspraak: 7 september 2017
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-190590-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
BRP-adres: [adres].

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:
zij op of omstreeks 16 september 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere winkelgoederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
2:
zij op of omstreeks 16 september 2016 te Amsterdam in een besloten lokaal gelegen aan de Ookmeerweg en in gebruik bij winkelbedrijf [bedrijf], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte wederrechtelijk is binnengedrongen immers was haar, verdachte, met ingang van 27 juli 2016 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van 12 maanden;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover nog inhoudelijk aan de orde, worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1:
zij op 16 september 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen winkelgoederen, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf].
Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:
diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Vonnis van de politierechter en standpunten van partijen
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen. De verdachte is onlangs verhuisd naar een 24-uurszorginstelling, waar veel meer zorg en begeleiding wordt geboden. Zowel de begeleiders van de verdachte in de vorige zorginstelling als de verdachte zelf zeggen dat de verdachte baat kan hebben bij intensievere zorg. Op deze manier kan het overmatig drugsgebruik van de verdachte in goede banen worden geleid. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de behandeling van de verdachte doorkruisen en grote gevolgen hebben voor het behandelingstraject, aldus de raadsman.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal door goederen te ontvreemden van winkelbedrijf [bedrijf]. Hiermee heeft zij het eigendomsrecht van winkelbedrijf [bedrijf] geschonden. Voorts heeft de verdachte hinder en overlast veroorzaakt.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 augustus 2017 is zij eerder meermalen ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, waaronder herhaaldelijk tot een vrijheidsstraf. Het hof overweegt dat op grond hiervan in beginsel geen ruimte bestaat voor een andere afdoening dan oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Daarnaast draagt de afhoudende houding van de verdachte waarvan zij heeft doen blijken tijdens het jongste reclasseringsonderzoek bij aan deze conclusie.
Toch ziet het hof in de mededelingen van de raadsman aanknopingspunten om de verdachte het voordeel van de twijfel te geven. Zeer recent zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte gewijzigd. Door haar verhuizing naar een 24-uurszorginstelling worden de verdachte betere begeleiding en ondersteuning aangeboden. Ook is de populatie daar zo samengesteld dat hiervan een zekere rust kan uitgaan. Wellicht zal het haar weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve wending in het leven van de verdachte kunnen doorkruisen.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover nog inhoudelijk aan de orde en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. R.M. Steinhaus en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van S.D. van der Heiden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2017.