Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
voorlopigeomgangsregeling bepaald dat de vader [de minderjarige] bij zich mag hebben gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag na zwemles tot zondag 17.00 uur, welke omgang vooralsnog dient plaats te vinden bij de grootmoeder van vaderszijde thuis.
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
.De laatste grote spanningen tussen de moeder en de pleegmoeder dateren van 2014. Het hof acht het niet aannemelijk dat dergelijke heftige spanningen in de komende periode zullen terugkeren en evenmin dat de door de GI en de raad (in zijn rapport van 14 juni 2016) in dit verband gesignaleerde zorgen zich ook thans nog in die mate voordoen. Voorts is zowel uit voormeld raadsrapport als ter zitting in hoger beroep gebleken dat de moeder achter de plaatsing van [de minderjarige] bij de pleegmoeder staat, het belang van [de minderjarige] voorop stelt en de huidige stabiele opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de pleegmoeder niet op deze jonge leeftijd wil doorbreken. Bovendien heeft de moeder altijd meegewerkt aan de hulpverlening en heeft zij ten tijde van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] zelf hulpverlening ingeschakeld om [de minderjarige] door de pleegmoeder te laten verzorgen en opvoeden.