ECLI:NL:GHAMS:2017:3430

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 augustus 2017
Publicatiedatum
25 augustus 2017
Zaaknummer
23-000672-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor rijden terwijl rijbevoegdheid was ontzegd met gewijzigde strafoplegging

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het besturen van een motorvoertuig terwijl hem de bevoegdheid daartoe was ontzegd.

De verdachte had zich op 6 november 2016 schuldig gemaakt aan het negeren van een rechterlijke beslissing van 17 april 2013, waarbij hem de rijbevoegdheid was ontzegd. Ondanks een eerdere onherroepelijke veroordeling voor een soortgelijk feit, reed hij opnieuw zonder rijbevoegdheid.

Het hof bevestigde het bewezenverklaarde feit en het vonnis van de politierechter, maar vernietigde de strafoplegging. Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van dertig uur op, met een proeftijd van twee jaar. De gevangenisstraf zal niet worden uitgevoerd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De wettelijke grondslag voor de straf is gevonden in de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Uitkomst: Veroordeling voor rijden zonder rijbevoegdheid met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van dertig uur.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000672-17
datum uitspraak: 25 augustus 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 96-226343-16 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft primair gepleit dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, subsidiair tot een taakstraf en meer subsidiair tot een geldboete.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich niets gelegen laten liggen aan de rechterlijke beslissing van 17 april 2013 waarbij hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen is ontzegd, door op 6 november 2016 toch te gaan rijden. Daarmee heeft de verdachte een beslissing van het bevoegde gezag genegeerd.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juli 2017 is hij eerder ter zake van een soortgelijk feit onherroepelijk veroordeeld. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Gelet op het voorgaande zou in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend kunnen worden geacht. Het hof zal echter bij de strafoplegging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting zijn gebleken.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. N.A. Schimmel en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van
D.J. Herbrink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
25 augustus 2017.