Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grieven 3 tot en met 7, die gezamenlijk kunnen worden besproken, houden in dat de kantonrechter ten onrechte voldoende aannemelijk heeft geacht, kort gezegd, dat [appellante] ten tijde van de doorzoeking ervan door de politie de woning al geruime tijd niet zelf bewoonde en [X] daarin zijn hoofdverblijf had. Het hof oordeelt als volgt.
“iemand die kwaad van hem wilde heeft toen op internet het adres gegeven waar de heer [X] lange tijd gewoond heeft, namelijk bij zijn moeder en daardoor zijn een aantal jongeren naar zijn woning gekomen en is een keer een ruit en een andere keer 3 ruiten op een avond ingegooid”(appeldagvaarding, sub 15) is in dit verband te vaag en wordt daarom gepasseerd.
grief 2 en de eerste grief 8. Deze grieven falen eveneens – als onvoldoende toegelicht –, voor zover zij opkomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat, zakelijk, de tekortkomingen van [appellante] dermate ernstig zijn dat zij ontruiming van het gehuurde rechtvaardigen (omdat, zo voegt het hof toe, moet worden aangenomen dat de bodemrechter op die grond de huurovereenkomst zal ontbinden). Het hof merkt nog op dat dit naar zijn oordeel ook het geval is, indien zou moeten worden aangenomen dat [appellante] alleen is tekortgeschoten ten aanzien van haar verplichting de woning zelf te bewonen. De omstandigheid dat [appellante] na haar terugkeer uit Duitsland, kort na 15 februari 2017, de woning weer heeft opgeknapt en daarin weer zelf is gaan wonen (Parteon betwist overigens dat dit nog steeds het geval is), doet aan de eerdere tekortkoming en de ernst daarvan niet af en kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat de ontruiming van de woning, afgezien van de vraag of de desbetreffende vordering van Parteon spoedeisend is, niet aangewezen is. Hetzelfde geldt ten aanzien van de omstandigheid dat [appellante] thans 58 jaar oud is en haar gezondheid niet optimaal is.
tweede grief 8, die anders betoogt, faalt daarom.