Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2003 gehuwd en gescheiden per 26 november 2013. De man werd verplicht een partneralimentatie van bruto €1.249 per maand te betalen, inmiddels geïndexeerd tot €1.313,85. Na beëindiging van zijn dienstverband bij ArboNed per 1 mei 2015 verzocht de man de partnerbijdrage nihil te stellen wegens inkomensachteruitgang.
De rechtbank wees dit verzoek af omdat de man onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie. In hoger beroep stelde het hof vast dat de man een beëindigingsvergoeding ontving en een beperkte WW-uitkering, maar onvoldoende onderbouwde dat de WW-uitkering zou eindigen op zijn AOW-leeftijd. Het hof rekende met een WW-uitkering van 75% en 70% voor respectievelijk mei-juni en vanaf juli 2015, en smeerde de beëindigingsvergoeding uit over de periode tot zijn AOW-leeftijd.
Het hof concludeerde dat de man voldoende draagkracht behield om de partnerbijdrage te betalen tot zijn AOW-leeftijd. Vanaf die datum zou de vrouw financieel niet beter af zijn dan de man en kon zij geen aanspraak meer maken op partneralimentatie. Het hof stelde daarom de partnerbijdrage per AOW-leeftijd op nihil en verklaarde dit uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring werd afgewezen.
Uitkomst: De partnerbijdrage van de man aan de vrouw wordt per AOW-leeftijd op nihil gesteld, het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring wordt afgewezen.