HBB Exploitatiemaatschappij B.V. is erfpachtster van een bedrijfspand dat sinds 2009 gekraakt is en bewoond wordt door meerdere bewoners. Na verkoop van het pand aan derden heeft HBB de bewoners opgezegd en vorderde zij ontruiming in kort geding, stellende dat zij het pand leeg en ontruimd moest opleveren op grond van een koopovereenkomst en vanwege gemeentelijke dwangsommen.
De voorzieningenrechter wees de vordering af omdat onvoldoende spoedeisend belang werd aangetoond en onduidelijkheid bestond over het bestaan en de opzegging van gebruiksovereenkomsten met de bewoners. In hoger beroep bevestigde het hof deze afwijzing. Het hof oordeelde dat de vordering niet kan worden toegewezen als ontruiming leidt tot ongerechtvaardigde leegstand, en dat HBB onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de nieuwe eigenaren het pand op korte termijn zouden herontwikkelen.
Ook de stelling van HBB dat er een kandidaat-huurder is en dat de gemeente handhavend zou optreden, werd onvoldoende onderbouwd. Het risico op leegstand en het ontbreken van concreet bewijs voor spoedeisend belang maakten dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigde. HBB werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.