Uitspraak
,
Gerechtshof Amsterdam
De werknemer was sinds 1984 in dienst bij de werkgever en werd op 26 november 2014 op staande voet ontslagen wegens het niet verwijderen van een beschadigde doos eierpoeder. De werknemer betwistte het ontslag en de kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet gerechtvaardigd was, waarna de arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 15 maart 2015 zonder toekenning van een vergoeding.
De werknemer vorderde vervolgens een vergoeding ter compensatie van zijn inkomensschade, stellende dat de ontbindingsrechter van onjuiste feiten was uitgegaan. Het hof bevestigde dat het ontslag op staande voet nietig is, maar oordeelde dat onder het tot 1 juli 2015 geldende recht de ontbinding en de vergoeding niet opnieuw aan de rechter kunnen worden voorgelegd, behalve in een herzieningsprocedure die hier niet aan de orde is.
De stelling van de werknemer dat de ontbindingsvergoeding heroverwogen moet worden op grond van gewijzigde feiten werd verworpen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, behalve voor zover het ontslag op staande voet nietig werd verklaard. De kosten van de procedure in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt nietig verklaard, maar de vordering tot vergoeding van inkomensschade wordt afgewezen.