ECLI:NL:GHAMS:2017:203
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Klacht tegen gerechtsdeurwaarder over onjuiste en vertraagde vaststelling beslagvrije voet
Deze zaak betreft een klacht van een schuldenaar tegen een gerechtsdeurwaarder over de vaststelling van de beslagvrije voet bij executoriaal derdenbeslag. De gerechtsdeurwaarder had de beslagvrije voet aanvankelijk onterecht op nihil gesteld en reageerde pas na vier weken op verstrekte financiële gegevens. Tevens werd de aangepaste beslagvrije voet pas na twee maanden aan de beslagleggende instanties doorgegeven, waardoor te veel beslag werd gelegd.
De gerechtsdeurwaarder voerde aan dat hij twijfels had over de volledigheid en juistheid van de door de schuldenaar verstrekte gegevens, maar het hof oordeelde dat dit geen rechtvaardiging bood voor de vertraging en nalatigheid. Het hof stelde vast dat de gerechtsdeurwaarder onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte bij het vaststellen en communiceren van de beslagvrije voet.
De klacht bestond uit drie onderdelen: de onjuiste vaststelling van de beslagvrije voet, het niet tijdig verstrekken van informatie over de berekening en specificatie van bedragen, en het niet tijdig informeren van derden en terugbetalen van te veel geïncasseerde bedragen. Het hof verklaarde de eerste en derde klacht gegrond en legde een berisping op, terwijl het tweede onderdeel ongegrond werd verklaard.
De beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders werd vernietigd en het hof bepaalde dat de maatregel van berisping passend en geboden is, in lijn met eerdere soortgelijke uitspraken. De gerechtsdeurwaarder werd niet veroordeeld tot betaling van de eerder opgelegde geldboete van € 1.000,-.
Uitkomst: Het hof verklaart twee van drie klachten gegrond en legt een berisping op aan de gerechtsdeurwaarder wegens onjuiste en vertraagde vaststelling van de beslagvrije voet.