Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2002 gehuwd en in 2006 gescheiden. De man betaalt kinderalimentatie en partneralimentatie aan de vrouw, met indexering tot 2016. De vrouw werkt sinds 2014 en haar inkomen is gestegen, waardoor zij geen aanvullende partneralimentatie meer behoeft vanaf 1 augustus 2014.
De rechtbank had de partneralimentatie per 1 augustus 2014 op nihil gesteld en de kinderbijdrage verminderd vanaf 12 november 2015. In hoger beroep verzoekt de vrouw herstel van hogere kinderbijdrage en partneralimentatie, terwijl de man incidenteel hoger beroep instelt om partneralimentatie vanaf 2010 nihil te verklaren en terugbetaling te vorderen.
Het hof oordeelt dat de kinderbijdrage €427 per maand bedraagt vanaf 12 november 2015 tot 1 april 2017 en €400 vanaf 1 april 2017 tot 1 januari 2020. De partneralimentatie wordt met ingang van 1 augustus 2014 op nihil gesteld. De vrouw moet teveel ontvangen partneralimentatie over de periode 1 augustus 2015 tot 29 juni 2016 terugbetalen. De terugbetalingsverplichting voor partneralimentatie voor de periode 1 augustus 2014 tot 1 augustus 2015 wordt afgewezen vanwege de omstandigheden en communicatie tussen partijen.
De wettelijke indexering van alimentatie is niet door de vrouw zelfstandig gevorderd en blijft ongewijzigd. Het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige verzoeken af.
Uitkomst: Partneralimentatie wordt nihil gesteld vanaf 1 augustus 2014 en kinderbijdrage vastgesteld met terugbetalingsverplichting voor teveel betaalde partneralimentatie over een deel van de periode.