ECLI:NL:GHAMS:2017:1969
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende controle en verwijtbaarheid CJIB-schulden
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij stelden dat de openstaande CJIB-schulden niet ernstig genoeg waren om toelating te weigeren en dat zij inmiddels financieel stabieler waren, mede door budgetbeheer en het aanvragen van beschermingsbewind.
Het hof oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij te goeder trouw waren geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de CJIB-schulden. De boetes hielden verband met het onverzekerd laten van voertuigen en het niet tijdig schorsen of vrijwaren van kentekens. Bovendien was de schuld substantieel en waren de omstandigheden die tot de schulden leidden nog niet voldoende onder controle.
Het hof wees het beroep op de hardheidsclausule af en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Het hof benadrukte dat een premature toelating tot de schuldsaneringsregeling kan leiden tot tussentijdse beëindiging zonder schone lei, waardoor appellanten tien jaar moeten wachten voordat zij opnieuw een beroep kunnen doen op de regeling.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt de afwijzing van de schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende aannemelijkheid van te goeder trouw zijn en onvoldoende controle over de schulden.