ECLI:NL:GHAMS:2017:1933
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging beschikking echtscheidingsconvenant en proceskostenveroordeling wegens nodeloos hoger beroep
Partijen zijn in 2007 gehuwd in gemeenschap van goederen en hun huwelijk is op 20 juli 2016 ontbonden. De gevolgen van de echtscheiding en de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime zijn vastgelegd in een door beide partijen ondertekend echtscheidingsconvenant, dat aan de beschikking van 13 april 2016 is gehecht en deel uitmaakt van die beschikking.
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het deel van de beschikking waarin het convenant is gehecht, stellende dat zij het convenant buitengerechtelijk heeft vernietigd. De man betwist de vernietiging en is een dagvaardingsprocedure gestart om de geldigheid van het convenant te bevestigen en nakoming te vorderen.
Het hof overweegt dat het rechtsmiddel van hoger beroep niet dient om een reeds toegewezen verzoek ongedaan te maken omdat een partij van gedachten is veranderd. Aangezien partijen in eerste aanleg hebben verzocht het convenant aan de beschikking te hechten en dit ook is gebeurd, wordt het hoger beroep van de vrouw afgewezen. De beoordeling van de vernietiging van het convenant ligt bij de rechtbank Den Haag.
De vrouw wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, omdat het hof het hoger beroep nodeloos acht. De kosten worden vastgesteld op € 314 aan griffierecht en € 1.788 aan salaris advocaat.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en veroordeelt de vrouw in de kosten van het hoger beroep wegens nodeloos instellen.