ECLI:NL:GHAMS:2017:1855
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gezagsverhouding na internationale verhuizing en toepassing Haags Kinderbeschermingsverdrag
De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezag over hun minderjarige kind, geboren in Spanje met Duitse nationaliteit, na verhuizing naar Nederland. De moeder is sinds de relatiebreuk in 2015 de hoofdverzorger en belast met het gezag. De vader verzocht om gezamenlijk gezag, wat door de rechtbank werd afgewezen.
Het hof beoordeelde of het gezag van rechtswege aan de vader toekomt. Hierbij werd vastgesteld dat het oudere Haags Kinderbeschermingsverdrag (HKBV 1961) op het moment van geboorte en erkenning van het kind van toepassing was, waarbij Duits recht geldt. Volgens Duits recht heeft de vader zonder zorgverklaring geen gezag. Het nieuwere HKBV 1996 is van toepassing sinds de verhuizing en bepaalt dat het recht van de gewone verblijfplaats van het kind geldt, hier Nederlands recht. Volgens Nederlands recht heeft de moeder zonder gezamenlijk verzoek het gezag alleen.
In het incidenteel hoger beroep verzocht de vader alsnog gezamenlijk gezag. Het hof overwoog dat gezamenlijk gezag in het belang van het kind is, mits ouders in staat zijn tot overleg. Gezien het langdurige contactverbod, maar ook de bereidheid tot therapie, besloot het hof de beslissing zes maanden aan te houden om het traject bij het Centrum voor Relationele Therapie af te wachten.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de moeder het gezag alleen uitoefent en houdt het verzoek tot gezamenlijk gezag pro forma aan in afwachting van een therapietraject.