Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen gescheiden ouders over de zorgregeling en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind, geboren in 2012. Na beëindiging van hun relatie oefenden zij gezamenlijk gezag uit en hadden zij een zorgregeling waarbij het kind afwisselend bij beide ouders verbleef. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld en een maandelijkse bijdrage van €74,07 aan kinderalimentatie opgelegd.
De vader kwam in hoger beroep tegen de zorgregeling en alimentatie, stellende dat de bestaande regeling goed functioneerde en dat de alimentatie niet correct was berekend. De moeder verzocht om bevestiging van de zorgregeling en een aangepaste omgangsregeling in haar incidenteel hoger beroep. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde bevestiging van de zorgregeling, benadrukkend dat de communicatie tussen ouders verbeterd moest worden.
Het hof oordeelde dat de huidige zorgregeling goed verliep en in het belang van het kind was om deze te handhaven, gezien de recente veranderingen in het leven van het kind zoals schoolstart en speltherapie. Een raadsonderzoek werd niet noodzakelijk geacht. De alimentatie werd herberekend op basis van het netto besteedbaar inkomen van beide ouders, resulterend in een maandelijkse bijdrage van €12 door de vader, met een aanvullende toezegging van €50 per maand op een rekening voor het kind. De kosten van de procedure werden door beide partijen zelf gedragen.
Uitkomst: De zorgregeling wordt bekrachtigd en de kinderalimentatie van de vader wordt vastgesteld op €12 per maand met een aanvullende toezegging.